Gang naar de Academie.--De opvolgers van Uilespiegel.--Raad van Professoren
over den roep van Frans.--Onderzoek van bewijsstukken.--De Academie krijgt
een leerling meer.
De zon, de grootste schilderesse der wereld, was bezig met achter de kim
haar palet te bereiden; zij vereenigde en mengde er de schoonste verven op,
welke zij bezit, om dien plechtigen dag,--om den eersten stap van Frans in
de baan der kunst, met eenen ongemeenen glans te beschijnen. Weldra wierp
zij, door enkelen penseeltoets, de grijsgele doodverf op haar onmeetbaar
paneel ..... en de stad Antwerpen stond, als eene aangelegde schets,
zichtbaar in het schemerlicht.
De hanen, die afgodendienaars der zon, begroetten hare komst met snijdend
keelgeluid, en schreeuwden zoo lang en zoo hevig, dat de grootmoeder er
door ontwaakte, terwijl zij hare eerste gedachte aan het geluk van haar
Fransken gaf.
Alhoewel schrikkelijk afgeschilderd, is de nacht niet zelden een weldoener.
Hij alleen is rechtvaardig ten allen tijde: de goeden overlaadt hij met
blijdschap en genot, de kwaden martelt hij door ingebeelde straffen. Als
een gezant van God ziet hij in het binnenste der harten, en voorzegt den
mensch, wat loon of wat wraak zijne daden verdienen en verwachten moeten.
De schoonste tafereelen had hij ditmaal uit zijne goocheltasch gehaald en
voor de oogen der grootmoeder doen verschijnen. Zij had rijkdommen gezien:
schoone huizen als paleizen, paarden als herten, koetsen als tronen,
lusthoven als paradijzen,--jeugdige lauwertakken! En te midden van dit
alles haar Fransken, zijne moeder, zijnen vader en zich zelve. Ontwakende,
wreef zij hare oogen rood, om die verleidende beelden te kunnen wederzien;
doch nadat zij, niet zonder spijt, bevonden had, dat het slechts een droom
was geweest, verging hare blijdschap niet geheel. De streelende
vooruitzichten verlieten haar bij haar wakend leven ook niet.
Ternauwernood was de stad met eene tweede en goudgele tint oversapt, of het
gansche huisgezin was te been. De man moest vroeg op zijn werk zijn en kon
niet zonder ontbijt vertrekken; de ouders kwamen dan alle drie beneden.
Met éénen blik en te gelijk zagen zij naar Fransken en bemerkten, dat hij
reeds in zijn bed recht zat en, bij den twijfelachtigen schijn van den
morgen, met zelfvergeten aan het teekenen was.
Het vuur aangestoken zijnde, ging de moeder tot het kind, nam het uit bed
en deed het op zijne knieën zitten.
«Lees vandaag een goed gebeêken, Fransken,» sprak zij, «dat Onze Heerken
ons doe gelukken!»
Het jongske knielde zoo langzaam en zoo plechtig neder, dat het genoeg te
zien was, wat godsvrucht en wat vuur hij in zijn gebed ging stellen. Hij
sprak met fijne stemme:
's Morgens als ik opstaan,
Zie ik twee engeltjes vóór mij staan,
Engeltjes lief, engeltjes zoet,
Maakt dat Fransken geen kwaad en doet.
Onze Vader, enz.
Na dit gebed werd hij gekleed en gewasschen; en zoodra men hem dan vrij
liet, vatte hij zijne stukjes papier, ging bij het vuur zitten en begaf
zich aan het nateekenen van het een of ander voorwerp, dat zich in de kamer
bevond.
Weldra was de koffie opgeschonken, de zware boterhammen gesneden en de
tassen voorgezet. Alvorens zij begonnen te eten, maakten zij allen een
kruis; doch Fransken voegde er zijn gewoon gebedeken bij:
Deezeken[15], kom eten mee,
Breng uw liefste moeder mee.
Deezeken, waar gij zijt,
Is het al gebenedijd.
Eet en drink, maar wees gedachtig,
Dat het komt van God almachtig.
Een werkman verslijt niet veel tijds aan de tafel: op een oogenblik waren
al de boterhammen verdwenen. De vader trok zijn schobejak aan en ging de
deur uit, met de woorden:
«Tot den noen, zullen!»
Nu begon eerst de groote voorbereiding; Fransken werd nog eens ontkleed en
opnieuw gewasschen met Spaansche zeep en warm water; zijne krullende haren
netjes opgekamd; zijn strepen broeksken en zijn kieltje werden hem
aangedaan.
Hierna begonnen de twee vrouwen hun eigen _toilet_. Uit eene kist kwamen
twee sneeuwwitte trekmutsen voor den dag; twee rokken, een zwarte en een
met groote bloemen; twee paar fluweelen schoenen; twee jakken, een lang en
een kort, en een katoenen mantel van de grootmoeder. Dit was alles.--Met
deze kleedingstukken moesten de vrouwen zich schoon en zindelijk maken, om
met voordeel voor de heeren der Academie te verschijnen.
Toen de optooi bijna gedaan was, vroeg de grootmoeder: «Maar, Annemie, zijt
gij nu zeker, dat Trees, van hiernaast, aan den leerjongen van den barbier
van den knecht van M. Wabbes gesproken heeft?»
De Moeder.--Ja, hij zegt, dat het nog al moeilijk is, iemand op de Academie
te krijgen; maar hij heeft beloofd, dat hij alles zal doen wat hij kan, en
de baas is nog al goede vriend van den knecht van M. Wabbes.
De Grootmoeder.--De Academie gaat te zes uren open; wij moeten maken, dat
wij niet te laat komen. Spoed u wat.
De Moeder.--Maar weet gij waar wij zijn moeten? Zij zeggen, dat die
Academie zoo groot is, dat men gemakkelijk eenen geheelen dag er kan in
verloren loopen.
De Grootmoeder.--Gij zijt toch een sukkel, gij! Met vragen komt men immers
te Rome?
De Moeder.--Ja, dat is waar. Maar wat zullen wij nu aan die heeren zeggen?
Want gij weet wel, dat gij die heeren niet moogt aanspreken gelijk u of
mij, en dat die groote mannen nog al gauw op hunnen teen getrapt zijn. Gij
moest u zoo eens misspreken.
De Grootmoeder.--Daar is geen nood voor; laat mij maar doen. Als ik
binnenkom, dan zeg ik: Goeden dag, M. Van Bree! Goeden dag, M. Wabbes!
Dienaar, Mijnheeren!..... Kunnen zij dat nu kwalijk nemen? Het is immers
beleefd genoeg?
De Moeder.--Ja, ja. En dan? Hoe zult gij de zaak van onzen Frans aan hun
verstand brengen? Zie, daar ligt de knoop.
De Grootmoeder, _met ongeduld_.--Wees maar gerust: ik neem de teekeningen
van onzen Frans mede, en als ik die zal laten zien, zullen zij misschien
van zelf willen hebben, dat hij op de Academie blijve. Kom, het is al bij
den zessen; laat ons gaan.--Fransken, geef mij al de papieren eens hier,
dat ik ze in mijnen zak steke. Zijt gij gereed, Annemie? Vergeet gij niets?
Doe dan de deur maar toe.....
* * * * *
Wat vreugd was er niet in het hart van Fransken, terwijl hij tusschen zijne
moeder en grootmoeder naar de Academie ging! Hoe licht en hoe vinnig waren
zijne huppelende stapkens! Met wat liefde bezag hij elken jongen, die, met
eene rol papier in de hand, hem voorbij ging..... Reeds waren al deze
leerlingen der Academie zijne vrienden. Hadde hij ze mogen omhelzen!
Aan de poort der Academie gekomen, vóórdat de klassen geopend waren, vielen
de twee verbaasde vrouwen tusschen een hoop wachtende jongens, die op hunne
vragen niet dan met spotternij antwoordden. Beschaamd en verlegen, wilden
zij zich verwijderen tot het openen der poort: doch de spottende jongens
liepen rondom hen en sloten ze in eenen onverbreekbaren kring. Dan volgde
er een _concerto_ van honderden fluiten, die als messen door de ooren
gingen; een afgrijselijk gebrom in de rollen papier; honderden roepen van
Meken! Meken! Wouw! Wouw!--en een bonzend geschreeuw van hoera! hoera!
zoodat de ongelukkige vrouwen niet meer hoorden of zagen, en bereid waren
om te weenen; maar gelukkiglijk, of liever ongelukkiglijk, ging de poort
der Academie op dit oogenblik open.
Gelijk de razende vloed, die eenen dijk doorbreekt, stroomden de jongens
onder de poort door. De vrouwen konden dit woest geweld niet wederstaan, en
werden mede door de poort en door den hof gesleurd en gestooten, totdat zij
zich weldra in eenen langen gang bevonden, zonder te weten, hoe zij daar
geraakt waren en nog duizelig van deze bestorming. De trekmuts van
grootmoeder stond scheef, zonder dat het mogelijk was, ze weder op hare
plooi te brengen; het haar van Fransken was in de war, en de kleederen der
beide vrouwen leelijk verkrookt.
Met stille, bevende stem sprak de grootmoeder:
«Wel, heilige deugd, Annemie! Wat is dat hier voor een leven? 't Is gelijk
een hoop duivels!»
De Moeder.--Och God, Meken, ik dacht, dat zij ons nog wel een half uur
verre zouden gestooten hebben. Maar waar zijn wij hier? Het is gelijk een
klooster.--Zie, daar komt een klein jongsken; dat ziet er geen deugniet
uit. Vraag hem eens, waar de kamer van M. Van Bree is..... Manneken, weet
gij niet waar wij gaan moeten om M. Van Bree te spreken? Waar is M. Van
Bree?
De Jongen; _hij steekt zijne tong uit en zet een *beeldeken*, gelijk men
dit te Antwerpen noemt:_
Mijnheer Van Bree is in zijn vel.
En als hij er uit komt, is hij niet wel!
(_Hij loopt weg._)
De Grootmoeder, _met wanhoop_.--Wel, wel! wat Uilespiegels altemaal!
Annemie, hier geraken wij nimmer te recht. (_Er komt een jongen, die hare
muts bij den vleugel vat en ze bijna van het hoofd rukt._) Wel, wat
schurken! Zij zullen ons nog de kleederen van het lijf scheuren..... Willen
wij maar naar huis gaan?
De Moeder.--Toe, toe, zet uwe trekmuts maar recht! Het is gelijk eene kat,
daar de straatjongens mede geleefd hebben. Nu zien wij er net uit om voor
die heeren te komen!
Fransken, _met stille stem_.--Zie, Meken, daar komt een heer aan; zie, hij
neemt zijnen hoed af voor u. Daar, hij gaat in die deur!
De Grootmoeder.--Och Heer! nu weten wij nog niets.
Fransken.--Ja maar, Meken, daar staat iets boven de deur te lezen. Laat ons
eens gaan zien.
(_Zij gaan tot bij de deur._)
De Moeder.--Kunt gij dat lezen, Fransken?
Fransken.--Ja, moeder. (_Hij beziet het opschrift een oogenblik en leest._)
Ka.....mer der di.....rectie.
De Grootmoeder.--Wel, wat botte getrekken dat wij toch zijn! Dat is nu de
kamer van M. Van Bree en van M. Wabbes. En als ik mij wel bepeins, die
jonge heer was M. Wabbes zelf.--Fransken, gij moet uwe klak afnemen,
zullen?
Fransken.--Ja, Meken.
De Grootmoeder.--Klop eens.
De Moeder.--Ja, maar mogen wij wel kloppen? Daar hangt eene bel boven de
deur ..... laat ons liever bellen.
(_Zij zoeken vruchteloos naar het belkoord, vermits dat het binnen de kamer
hangt._)
De Grootmoeder.--Dat is aardig, eh? Toe, klop maar.
(_Er komt een jongen voorbij, die om de vrouwen in verlegenheid te brengen,
zulk een zwaren stamp tegen de deur geeft, dat de gang er van dreunt._)
De Moeder, _verschrikt_.--Och, Meken, willen wij maar gaan loopen? Ik durf
hier niet langer blijven staan.....
De Grootmoeder.--Ja, ja, kom: wij gaan naar huis.
Fransken, _zijne moeder weerhoudende_.--Och neen, moederken lief, laat ons
niet naar huis gaan!
Eene stem in de kamer.--Komt binnen!
Fransken.--Hoort gij wel, moeder? zij roepen, dat wij moeten binnenkomen.
(_De vrouwen gaan bevend binnen en blijven vol vrees bij de deur staan._)
De Grootmoeder, _met het hoofd knikkende_.--Goeden dag, Mijnheer Van Bree,
goeden dag, Mijnheer Wabbes;--Dienaar, Mijnheeren!