V.

Tegen schemer liep hij de poort in. Zij was bruin van

slagschaduw-groei, met geluwe damp bij 't raam van den

schoenmaker. Stug klonken hamerslaagjes, nattig van na-smak. Ook 'n

kind huilde alsof 't véel pijn had. Zacht schoof hij den muur langs. In

den donkeren schuilhoek, overkeek hij de plaats en aarzlend-van-doen

poogde hij te onderscheiden wie er in tante Reggie's kamer waren. Er

bewoog niets. De lamp was niet aan. De deur stond schuin-open. Van

boven, waar meerdre ramen licht-kwijning hadden, vaagde een glans,

gouden waas op het zwartpuin der muren. De neerwipte handwagen leek

een dreigend geraamte, schuwe bukking van kwaadwillig dier.

Luidloos sloop Eleazar nader, maar de deur naast het geluw raam van

den schoenmaker werd geopend en een stem vroeg:

"Wie is daar?"

"Ik"--, zei Eleazar, terugschrikkend naar het duister der poort.

Het was de schoenmaker die buiten kwam, de handen gebold onder het

schootsvel. Afschijn van lamplicht geelde achter het hoekig lijf,

achter de warrige haren. De man boog naar den hoek, herkende den

buurman.

"O. O!.. Ben jij 't?", zei hij--en sneller in grommend beklag ging

zijn stem met klanken van onmachtig, ingeroest huilen: "...Verdomme,

verdomme, nou mot je is kijke!.. Nou ku-je-'t verdomme is zien!.. Je

zou je zoo gaan verzuipe!... Is dat 'n pèst!... En dat hei-je zoo

telkes, telkes as 't water maar effen rijst... Kijk me is an!"...

Samen, schouder aan schouder--de deur was maar klein--keken ze in het

keldertje, waarvan de steenen vloer blank stond. Op het withouten

tafeltje was een kleine lamp die licht-gladding aan het water gaf,

vuilig water boven roode tegels wier zwarte, diepe voegen 'n ruitig

spinweb geleken. De witte kalkmuren stompten zonderling-scherp naar

de balken-zoldring. In een bedstee met wijdstaande deuren zaten drie

kindren, wakker geschrikt. 't Jongste, meisje, vaalbleek, huilde alsof

het pijn had, klaaglijk, week smartstemmetje en de vuistjes bewreven

driftig de holten der oogen, soppend het vocht tot diep over de wangen.

"Hou je smòel!"--, zei woedend de vrouw. Ze had kousen en schoenen uit

getrokken, den zwarten rok hoog om de heupen gewrongen, de strikbanden

van den broek boven 'r knieën gebonden. Zoo trachtte ze 't water in

een emmer te dweilen, telkens den doek als een vangnet uitspreidend,

'm wringend in 'r roode knuisten dat het slijkwater met proesten in den

emmer spoot. Als ze rechtop stond, hingen haar armen over den wikkel

van kleeren, waaronder de gore spleetbroek met natte benglende banden

en harige kuiten van slap, papperig vleesch. Waar de afscheiding was

van de schoenen om de dikke enkels, waren de voeten van ingegroeid

vuil, teenen met baksels van zwart en zoo op de schijven der knieën,

wier puiling in 't papvleesch daardoor sterker werd. Jan, manke

joggie, nog op, zat op de leuning van een stoel, het horrelvoetje

geschurkt over het andere been, oogen glinstrend van pret. In een

hoek van den kelder, op schraging van stoelen, lagen dingen, ruw-weg

daar neergezet om ze droog te houden, een oud matras, een deken,

een mat, een ijzeren pan, een paar waterlaarzen, een pollepel, wat

kinderkleeren. De waterpot, helwit, dreef bij de pooten der tafel,

zachjes dobbrend door 't golvend beweeg van de dweil. Stank van vuil

dat lang in warmte gebroeid, stank van riolen en beerputten, door

't rijzend water geloosd, ontsteeg het glad-kalm water, dat de vrouw

probeerde te hoozen.

Zij had een emmer vol, reikte 'm toe den beenigen man, die bukte en 't

hengsel greep. Donker-gebogen in 't duister der poort, dof-vloekend,

liep-ie naar de gangstraat, smeet met een smak dat 't kletste tegen

den muur, den emmer over den grond, kwam terug, begon weer te klagen:

"... Nou zie je is!... 't Is verdomme om bij te griene!... Je hart

draait òm in je boddie... Al de stront van 'n ànder in je huis! En

zoo telkes met volle maan. En die schoene die àf mòtten! Schei toch

gedoome uit met je geschep! 't Helpt je geen sodeflikker! Hoe meer

je roert in de zwijnerij, hoe meer 't stinkt!"

"Das verrek-me je dànk!", vloekte de vrouw, kwaadaardig de dweil op het

water kletsend, dat 't spette tot over de tafel: "Help liever wat mee,

wat mee, wat mèe!"--, nasnauwde ze, diep-bukkend, de dweil heen en

weer rukkend, het breed achterlijf in den goren broek naar de mannen

gekeerd. Jan, 't manke joggie, had kousen en schoenen uitgetrokken,

besnoepte de kou van 't water met den grooten teen van zijn misvormden

voet, teppend en proevend voorzichtig.

"Kòm!"--,grauwde de vrouw. Het kind doorhinkte het water met

verkneuterd gezicht, lange stappen nemend, asof-ie schaatsen reed,

schepte mee, een vuilnisblik in de hand.

"Moe-oe mag 'k oòk mee-doen?"--,riep Dirk op den rand van de bedstee,

heerlijk vindend 't spelen van Jan. Met de beentjes wiegde-die buiten

't bed, klaar om te springen.

"As je niet lègge gaat, snotaap, sla 'k je voor je smoel!", dreigde

de vrouw en in drift toestappend, kletste zij met 'r natte hand het

kind om de ooren, duwde het onder het dek, stompte verwoed de bulten

van de ruige, vale deken om de lichaampjes der drie: "En às je blert,

trap 'k-je doòd!"--Ruw van gebaar,'t bovenlijf mal-dik door den wrong

der rokken, den goren broek om de beenen gekleefd door de zuiging van

't opgestuwd water, trapte ze in den plas, 't gelaat vierkant in snauw.

Het was zóo grijs-triestig, van zulk een krijschenden jammer, dat

Eleazar het harde, stooterig doen der vrouw natuurlijk, vanzelfsprekend

vond. Ze kneep weer de dweil met wringende rukken, telkens bukkend,

opmoddrend het water dat bruin werd, valer van stank. Haar rok

losgeslierd door 't verbeten werken, viel even neer dat de rand het

water indronk. Vloekend, met huiling in stem, scheurde ze 'm op en

hooger, staand met 'r papprige beenen gespreid en den broek omklakkend

de vleezige heupen. Tip van haar hemd, zwarter dan broek, wipte de

spleet uit en de losraakte banden zogen 't water. Jan, ijvrig, lòllig

dat-ie mocht helpen, plaste met smaaklijk genoegen. Het vuilnisblik

stak-ie in 't water, heevlend het over en met de dunne vingertjes

poogde-die de gootjes te stuiten, die kletterend liepen bij elk van

de hoeken. Flauw brandde de lamp op de withouten tafel, scherper

belichtend een schoen zonder zool, den witten pinrand daarin, een

els, een priem, een mes, een hamer en rommel van spijkers, nagels en

kerfjes van leer. Ook een halfvolle koffiekom, rond en bedrabd stond

bij de lamp. In 't water, rullig gewiegd met dribblende rimpels,

kropen goudslangjes van licht, hupplend met dwaze verwijding tot

plasjes van glanzerig goud en de voeten der vrouw en van 't kind

kwamen killig de gladding doorbleken, die rood werd door weerschijn

der tegels. De schoenmaker, geel in den post van de deur, hoofd

tanig en leerig van juk, met stoppels van war-bruinig haar, bukte

opnieuw, grijpend het hengsel, stortend door 't ruwe aanvatten. En

weer in het diep-dikke bruin van de poort, lijf schuinweg geknakt

door de zwaarte van emmer, droeg hij het vuil dat de aarde onder het

huis opsiepte, naar de gangstraat, waar het schaatrend van plas het

duister doorwitte. Terwijl wiesch Jan zich de voeten, geleund tegen

den kalkmuur, wrijvend met vuilige vingers over het horrelvoetje,

vleeschklomp die zwaar leek te hangen aan 't broos, mager been.

De schoenmaker, weer terug in het geluw gestraal van den deurpost,

dat traag zich verwijdde en licht-vlakking gaf op 't bijtend gegroef

der oude poortsteenen, gromde mistroostig.

"...Zoo 'n sodejuusche kelder!... Zoo 'n ròt-kelder!... En dat 't nòu

mot komme... 't Mot 'r verdik-me altijd weze as 'k werk heb... Nou,

kwaje beroerling, lamstraal, maak 'r geen lolletjes van!... Help

mee!... Dat staat goddoome te spèle!"

"Nou-ou--as 't blik lekt.. ken ik 't hèlpe?", zei Jan, bang voor

moeder die opkeek: "...'t Loopt 'r alles weer langs."...

"Is 't gedáán!", dreigde de vrouw: "...Toe! Toe! Steek uit je

poote!... Allo, neem de pot!"

Het water inslurpte den emmer met klukkende kletsjes--modderig druipsel

en dufzoete stank dreef naar de deur.

"Da's tèlkes zoo", klaagde de schoenmaker: "tèlkes, tèlkes... 'k

Wou da'k verrekte, verrèkte"... Er was grove beest-wanhoop in zijn

stem. Zacht antwoordde Eleazar, niet aanziend den man, stroef-kijkend

naar het voetenbeweeg in het opdrabbend water.

"...Ja, 't is wel erg, wèl erg... Zoo hebben we allemaal wat, mot je

maar denken--mot je maar denken--al is 't 'n slappe troost.--'k Ben

zelf bàng na huis te gaan. 't Is 'n vloek, 'n vloek"...

Gloeiend stompte het bloed naar z'n hoofd. Waar-ie kwam, waar-ie liep,

zag-ie de menschen geknecht in kleine ellenden, versleten in zorg. 't

Was of je enkel dàt, dat alleen op je weg kreeg, als je oogen na den

winterslaap van 'n dooie jeugd waren open gegaan. Bij tante Soor, in

den voddenkelder, waar-ie 'n kom koffie had gedronken, bij Suikerpeer,

òveral in de sloppen die-die langs was gegaan, nou pas weer, leek

't leven vermuft en verlept, als 'n dorrende bloem op 'n zonlooze

vensterbank. Stappend in den avondschemer, de uitstallingen en

winkeltjes van de jodenbuurt voorbij, had-ie met valsch geweld, de

schijnbaar-zieklijke besluiping-van-altijd-'t-zwarte-en-miserabele

te zien van zich af gezet. Hij leed, an de manie van méer

wakker-geschrikten, an de èindloos opletten van grauw. De menschen

hadden zóó lang geduld dat ze niet beter wisten. 'n Blinde wist niet

van licht, als-ie blind was geboren. Als-ie niet zooveel in één passie

gelezen, rijp en groen, dingen die-die hálf had begrepen èn klare,

lekker wakker-schuddende geschriftjes, zou-ie als 't gros van de

stumpers blind-geboren zijn gebléven. Je moest oppassen van ellende

'n kwee-achtig ding te maken. Je moest je vasthouen an 't blijje wèten

dat 'r verjonging wàs--kwam 'r zèlfs bij slijpers die 'r vroeger niet

an gèdácht hadden geen stàking?--menschlief, je kòn niet meer stadig

terneer zijn geslagen. In je verbeelding vlamde overal, zèker de zon

door. Zoo zich opmonterend in stemming-van-veerkracht, was-ie de poort

ingewandeld--nou stond-ie opnieuw, machtloos, als 'n driftige kijker,

met gebalde vuisten. Alle redeneering was lak, nutloos gedroom.

De schoenmaker strompte door den mist van aandampend zwart, naar

de straat. De vrouw rustte uit, norsch, lippen bot saamgekwakt. 'r

Paars-roode voeten-met-vreetsels-van-vuil steunden op 'n sport

van den stoel en onder haar rimpel-ritste het water met gouden

geadem. Jan speelde met den pot dien hij liet drijven, zacht-blazend

en duwend. Klaàglijker werd het pijnlijk gedrens van Aagje.

"Nou dèn!"--, snauwde de vrouw: "Is 't me uit!"

"'k Mot zoo kàkke," snikte 't vaalbleeke kind, 'r hoofdje in persende

duwing op de blauwtijken peluw.

"Je houdt 't maar in!"--, driftig opstoof de vrouw: "'k-Hè genoeg

an mezelf!"--Goediger dan, 'r an denkend, dat 't kind in de laatste

dagen telkens het bed had bevuild en hoe kwaadaardig de man was as-ie

in zoo'n stinkend-nat bed most slapen, plaste ze weer door het drab

water, zoekend den pot.

"Hier is die moe," haastig zei Jan, drogend den rand an z'n kiel.

Op de deken in de bedstee tilde de vrouw het huilend kind, dat met de

magere beentjes gehurkt kwam te zitten. Met ruwige wreef wegveegde ze

't vuil van 't gezicht.

Als een kreun spette het in den pot. Dirk, blij dat-ie wat mòcht, hield

't zusje vast, terwijl de vrouw, hooger schurkend den rokkenwrong,

optrekkend den broek die nat-plooierig zakte, weder het water te

dweilen begon. Jan kudderde mee. Niemand sprak 'n woord--de mannen

wrokten--de dweil perste water in den bek van den emmer, de voeten

der vrouw trapten gaten van drift. Dirkje, die den pot bij 't oor

hield en 't pijnlijk-drukkend meissie bij 'r buikje steunde, praatte

't eerst. De spichtige billetjes had-ie met 'n tip van de nachtpon

geveegd. Nou, in den pot kijkend en smerig van lip-trek, riep-ie hard:

"Moeder!.. Moeder ze heit weer blóéd gekakt!"

De vrouw, neersmijtend de dweil, schuurde door 't water, droogde

de handen lomp-weg an 'r broek, nam 't kind van het dek, lei 't

met sussend beweeg naast Dirkje en Truus, keek in den pot, bij de

lamp. Bij de deur zagen de mannen, flauw-rood tegen het wit der

pot-ronding, 'n grillig lijntje uitgelekt bloed, aarzelend spoor van

een bloedtraan. De vrouw, schuddend 'r hoofd, met jammertrek van

wel-willen-snikken, liep naar hen toe, toonde suffig het meerdere

rood dat takjes en aartjes had in 't waterig bruin. Dan zonder

gespreek, dik-snottrend, hoofd zwaarlijk gebogen, omspoelde zij

den pot in den emmer, die grijs-lauwig bleef van opgedweild water,

niet dieper van kleur werd. Ze spreidde den vadoek opnieuw, wrong 'm

met knarsig gewring, snikte dofingehouden, harder van neus-haal als

het water in den emmer kletterde. Haar broek zachtjes afzakte door

't veelmalig bukken en een stuk bleek-fletsig vleesch van de bil

overbarstte den snijdenden band. Jan, rustig, plezierig van mors,

lepelde het water in den schuingehouden pot. Z'n horrelvoet stond

als een vleezige knoest met een schaduw-wond onder den enkel.

"Kan 'k je hèlpen? Wil 'k 'n emmer halen?"--, vroeg Eleazar.

"Nee," knikte de schoenmaker en plomper: "'t Helpt geen verdomnis. 't

Is monnikewerk. We houen 't de heele nacht, de heele nacht. En morrege

zakt 't van zellef"....

Het was geheel duister geworden. Voorzichtig schuiflend liep-ie de

plaats op. Bij tante Reggie was nog geen licht. Goddank. Alles naar

bed. Geen teleurstelling. Geen belabberde uitlegging. Maar uit het

licht-doezlend raam van Suikerpeer werd een hoofd gestoken en de

groentenjood vroeg:

"...Eli--bin jij 't?"

"Ja," schrikte hij,

"Kom-ie nie bòven?... Reggie is hièr... Mod-je geen kommetje?"

De nauwe trap kraakte alsof spaanders werden betrapt. Boven werd een

deur open gezet. Schemerschijn belichtte de uitgeloopen, grijze treden,

de muren van zwart cement.

"Is dat uitblijve!"--, klaagde tante Reggie.

Hij glimlachte lichtschuw, pogend te zien wie er waren, struikelde

haast over 'n matras, waarop vier kinderen sliepen. Bij de tafel

zaten Suikerpeer, Essie z'n vrouw, tante Reggie, Dovid, Mijntje,

de oudste dochter van Suikerpeer en twee vreemden, 'n magere man met

'n langen baard en 'n jong meisje met loskrullig zwart haar. In de

bedstee, waar ze met moeder en vader saam-sliepen, lagen nog twee

kinderen. Stank was in de kamer, stank van te veel menschen, stank

van den emmer in 't hokje. Het raam stond open. De lampen in den

ijzeren hanger brandden laag met spitsing van zuigende vlammen.

"Og!"--, verweet Dovid, schreeuwrig, vies-kregel: "nòg, dalles-man

blièft boven water te komme! Dat schnort de heele dag langs de

weg! Ha-je thuis gewees ha-je werk gehad! Og, wad-è schlemiel!"...

"Werk?"--, vroeg Eleazar verwonderd.

"Is dat uitblijve!" klaagde de blinde weer, bekijkend de klanklijn

van z'n stem: "waarom bin-je nie kome ete?... Dan was je Berlijn nie

misgeloope... En zoo'n onrust..."

"Berlijn?... Berlijn", herhaalde Eleazar in toon van ontrusting.

Dovid, zich opwindend, driftig van trek om neus en om lippen, handen

trillend door 't wriemlen der vingers, overschreeuwde hem:

"Ja, Berlijn! Berlijn! Berlijn! Wat sta je as 'n pilaar! Weet je nìe

wie Berlijn is! Had thuis geweest ha-je werk! Loop 'm nou achter z'n

togus, as-die àndere angenome heit!"...

"Nou! Nou!", suste de blinde: "Heit-ie nie gezeid dad-ie 'n plaas

voor 'm open zou houe?... Wat maak jij je drùk, Dovid... As-die nog

nie-eens gegète heit!"...

"Laat-ie wel vrete!", schreeuwde Dovid: "Laat-ie niè vrete! Ook

'n zorg!"

Het was tusschen hem en Eleazar al lang 't geharrewar van twee die

mekaar in geen jaren hebben gezien, mekander niet meer verstaan.

"Berlijn?", informeerde Eleazar rustig: "is-die van de fabriek van

Laboen?"--en zich 't geheugen scherpend, zich den naam herinnerend,

zei-ie met zekerheid: "Ja, dat-'s die van Laboen. Voor die werk 'k

niet. Dank je. En 'k werk nou voor niémand. De staking komt 'r door."

Dat gaf gejoel, zig-zag en kolking van stemmen, angstig besust door

Essie, bang voor de slapende kindren.

"De schtaking? De schtaking!", riep Suikerpeer, dik-lodderend, met

't raspig geluid van z'n ontstoken keel.

"De schtaking!", schreeuwde de man met den langen baard, dien Eleazar

niet kende.

"De schtàking! De schtàking!", tierde Dovid slaand met de vuist op

de tafel, dat de kopjes rinkeltetterden, eén slijkrig koffiedik

stortte: "De pescht! De pèscht! 'k Zel nòg langer schwieje-nieje

lijje! 'n Golle! 'n Golle! Wie geeft me te poojen as 'k 't nie

heb?... Hei-'k nie wèke zehaam gezete zonder 'n cent 'n makke te

verdiene? 'k Bin dijmantschleiper en geen stráátschleiper! Betale

zìj de huur?--Betale zìj 't brood?--Betale zij Witjas?--Betale

zij 't vleesch!--Oggenebbiesch vléésch! Ich muss fressen! Ich muss

fressen!--Voor mijn part leit Dekker zich ziek! 'n Miessemisschinne! 'k

Hei 'n partij kappies angenome en knappe jongen die ze me

afneemt! Nòg! Hij vertelt wat overnieuws van de schtaking! De

schtaking! Narrigkat! Die laat zich mesjogge make! Hei jij in maande

'n cent gezien! Hei ik in maande 'n cent gezien? Geen brood krijg-ie

geborgd! Gasserponum! Schwans! Stomme schwans! De schtaking! De

schtaking! Nòg!"...

Speeksel ontspetterde z'n mond en 't gladgeschoren beenig hoofd

zenuwbeefde van woede. Met driftig gebaar nam-ie de kom van de tafel,

dronk, zich verslikkend bij 't wilde geslurp.

Koel keken de grijze oogen van Eleazar en 'n trekking van trots

kwam om z'n dunne bloedlooze lippen. Nog vóor Dovid was begonnen

te razen, had-ie gevoeld wàt 'r zou komen, had-ie door de gewilde,

'r dik-opgelegde drift begrepen dat de zwager, die al den eersten

avond van z'n thuiskomst over de meeting in 't Paleis met Suikerpeer

had zitten ruzieën--in kwaadaardigheidjes en geschetter z'n onrust

verborg. Zònder angst had-ie z'n woede niet kláár gehad.

"As jij wil onderkruipen", zei hij met de kalmte van iemand die de

onechte opwinding van 'n ander neemt voor wat ze is: "as jij kameraden

die werk hàdden en 't voor jou, voor mijn, voor honderd anderen hebben

neergelegd--wil bestelen--mot je dat zèlf weten. Je kameraden..."

"...Me kammerade!".., schreeuwde Dovid zangrig-schel: "Adenoj

elleheine, me kamme..."

"...'k Wou oòk uitpraten", viel Eleazar hem bits en zóo domineerend

in de rede, dat Dovid met nog nà-mummende lippen ophield: "...As jij

wil onderkruipen mot jìj dat weten... Ik doe 't niet--al krepeerden

we zóo as we hier zitten van honger"...

"Gelijk heit-ie", zei de man met den langen baard.

Eleazar zag 'm aan. Hij had den harden kop van 'n Poolschen jood, 'n

gebogen neus in velscheur-striemen, rood-omrande oogen en 'n baard van

ruwe bruine slieren, waarin zilverdraden metaal-schampjes sloegen. Aan

den linker-mondhoek, vurig-builend naast het daar korter pluizend haar,

spande een gezwel als een knikker. Dàt zag Eleazar het eerst.

"Gelijk! Gelijk!", schreeuwde Dovid in meerdre opwinding: "zoo'n

maugverdraaier! Me kammerade kenne de pescht krijge! As ìk nie

onderkrope was in de tijd van me oogziekte, zatte we niet in

de dikkedesch! Zal ik nòu mesjogge zijn? Was hab'n we vemiddag

gefresse?--Schappie-hindelemindel!--Vreet jij je daar 'n barsting

an!--Waas hebbe we gister gefresse? Zogererwte! 'n Brok zuur an de

kar! Staat nie me bovenbed in de lommerd? Staat nie me talles in de

lommerd? Voor mijn part krijgt de heele mischpooge de chòllera, vuile

addermekakstraal!... 'k Zal nog langer de ouwe vrouw en me kindere

late verrekke! Eer ìk de partij kappies uit me poote geef zalle

juillie allemaal sjankes krijge!--En jij--jij 'n darme-reising!"...

Nu in natuurlijke woede, geelbleek, stond-ie op, smeet z'n stoel tegen

't raamkozijn, verzette de koffiekom met 'n smak op de tafel.

"Og, wad-è frotter haurik!", smaalde Essie, de vrouw van Suikerpeer,

na een stilte van onthutsing, en krènkender smaalde ze: "benche

ken-die niet--zal die vlòèke!"...

"Enne tòch heit-ie rech," lodderde Suikerpeer oòk opgewondener:

"Wat heit hij met 'n schtaking te make! Heit-ie niet ogge-nebbiesch

làng genoeg geschtaakt! Ken jij je kindere wegpattere? Ik zweer je

bij mijn gezond, bij mijn kinders-lang-leve: 'k hei vemiddag enne

gister, enne weisz-ich-viel hóé lang aardappele gevrete met vèt! As

'k 'n schleiper was en werk kon krijge, schleep 'k de heele nach en

mòrrege nach en overmòrregenach tot Sjabbes toe!"...

"Wat zal hij néé zegge?", meende zachtzinnig de blinde, starend naar de

peer van de lamp: "Wat zal jìj nee zegge, Eli!.... Hebbe we nie pech

gehad van dad-jij van Ammerika bin weromgekomme? Sta 'k nie voor de

vierde sjabbes in de schuld bij Witjas? Krijgt nie de fruitman? Krijgt

nie Kalf van de nasscherei! Ogge-nebbiesch me Saartje heit geen hèmpie

an 'r lijfie!... Berlijn is 'n toffe jongen--Schnij jij je 'n bezze

bittere krieje voor àndere! Schnijje zìj zich 'n krieje over jou? Een

'n makke!--Jij mot nie stake! Dat zijne rissches. Zoo zal God me nog

eenmaal 't licht in me ooge gunne: Dovid heit rècht"...

Ze zweeg, napreevlend met 'r droge lippen, vrindlijk-rustig knikkend

naar de zij van Eleazar. Maar de donkre stem van den Poolschen jood,

sprak hortend, stem langzaam ver-heeschend in drift:

"Rècht!--Wàt is recht?--Recht is as je grijp wat je ken grijpe!--Recht

as 'k gàp, as 'k honger lei!--Recht as 'k ze spuug in d'r gezicht die

me beschwindele!--Recht as 'k ze trap op d'r hart!--Recht dat-ze d'r

longe, d'r lever verzieke die me kindere te kort doen!--Recht as d'r

ingewande van krampe krepeere!--Wàt is recht? Recht is as juillie

't verdòmt langer honger te lijje!--Recht as je strijdt vóór je

maag! Wat ken één man, Dovid? Og! Juillie mot as 'n klit an mekaar

kleve! Geve ze niet goeischiks dan neem-ie kwaaischiks. Kwaaischiks

is dan je rècht!--Alléenig doe je niks, niks, niks--alleenig krijg-ie

geen speldeknop, geen korrel suiker, geen spùg water, geen korrel

zand! As juillie klève an mekaar, klève, dan kenne juillie dwinge,

dwinge dat ze de schwerenaut uitbreekt!"...

Hij zweeg, de handen bevend op 't vlak van de tafel. Op 't hooge

voorhoofd waren de aren gezwollen en wit-schuimend speeksel drabde

over z'n lip naast het roòder-geworden gezwel.

Opnieuw was stilte in de kamer, aandroesde gepraat van de plaats,

waar de schoenmaker liep met z'n emmer.

Essie van Suikerpeer, verschrompeld bandeau-vrouwtje, sprak

'r aanloopje zoekend, slijmrig-bedeesd "...Nou ja, ù heit goed

prate, u weet niet wat 'r komp-kijke: Dovid ken 'n goed stuk brood

verdiene... hij werkt met víér tange"...

Dovid, die bij 't raam stond, wond zich lawaairiger op. Rauw krijschte

't geluid uit zijn keel:

"En nou zal 'k godverdomme 'n onderkruiper weze!... Kenne ze me

allemaal de maarsch lekke!... Voor mijn part schtàke ze, schtàke ze

tot ze de krenk krijge!... En 'n rotkoorts op de koop toe!... Zal ìk

me schikke na Dekker!... Zoo zalle z'n achterste kiezen na vòre!... En

jij je geschwollen legge! Nou zàl 'k onderkruipe--nou zàl 'k--Legge

juillie je allemaal ziek!"...

Mager van woede, de oogen uitpuilend, spuwde hij naar den grond,

liep de kinderen op 't matras voorbij, smeet de deur met bonzend

geweld achter zich toe.

"Wat 'n mamsertòmme!"--, zangerig zei Essie, 't bandeau-hoofdje in

de handen wieglend.

Verlegen stilte bleef tot Dovid's voetstappen niet meer op de trap

werden gehoord. Dan kwam gepraat van alle kanten. Suikerpeer, Essie,

tante Reggie namen z'n partij, sprekend gelijk, elkander met spuugrig

lawaai in de rede vallend, zich opwindend, druk van gebaar.

Rond de tafel smoezelden ze, Reggie over 't raam, bij Essie en

Suikerpeer. Om den hoek Rebecca, de dochter van den Poolschen jood,

luister-zwijgend als Mijntje, de oudste van Suikerpeer. Podnowsky,

naast Eleazar, schoof naar het venster nu er meer ruimte was gekomen,

ging te-keer tegen de drie, soms overschreeuwd, soms overschreeuwend,

grimmig verwenschend die 'm hadden vervolgd van af z'n kinderjaren

toen-ie met vader en moeder uit Rusland was gesteenigd.

Koffie-lebberend, moe, leeg door 't gevast, luisterde Eleazar. Soms

keken z'n grijze oogen in de groot-zwarte van Rebecca, verwonderde

hij zich over de frischheid van 't ravenzwart meisje dat hier niet

scheen te behooren,--dacht-ie aan de rijpheid van 'n pioen. Sterker,

in grooter jeugd, was 't ongewoon wangenrood als-ie naar Mijntje keek,

ook zoo van zestien, zeventien, kamer-sip, bleek, met korsten in de

haren en over de ooren, wat al de kindren van Suikerpeer schenen te

hebben. Even door de warmte der kamer perrelde zweet op z'n voorhoofd,

maar de tochting van 't raam, wit-slaand tegen z'n vel-heetheid

luchtigde 'm op.

Laag nedervlakte de zoldring-van-balken met schuwlijk dobbren

van lampelicht-kringen. Op de tafel was morsig gewar van kommen,

koppen en schotels, glanzerig wit, door klodders en sopjes bruin

overstort. Het zeil, geel, met bloemen-gefleur en weg-krabde gaten,

lei met bultende vouwen en glimmige plasjes.

Behang was er op zij van de deur--, de rest in flarden gekruld, hing

los aan de wanden van spikklige kalk. De muur was 'n vervellend dier,

dat de oud-doode huid van zich afschudt. 't Netst blankte de kast

met deuren van klein-glazen ruitjes--er achter planken met puntige

tanden vergelend krantepapier, tanden groot en gelijk, knipsel van

Mijntje. Daarop borden en glaswerk, roodkoperen dingen in dofrood

gevlam. Den rand van den schoorsteen, terzij van de bedstee, had

Mijntje belegd met repen behangsel en ook daarin roofdier-tanden

geknipt, lauw nu ombollend door de warmte der kamer. Op den grond,

bij de koperen kachel, lagen de kindren, Meijer vooraan, die wakker

nog was. De drie andre, hoofden verzakt in de peluw van zeegras,

sliepen met opene monden, leelijke kinderen, ouwelijk-joodsch. Esther,

meisje van twaalf, had witte plekken op 't hoofd, waar 't haar school

onder zalf; Jaantje, kindje van tien, had 'n groen-zwerend oortje;

Flippie, 'n jongske van zes, snurkte door 't mondje, bekrabde in

slaaprig beweeg 't hoofdje van korsten dat 't waterig bloed bekleefde

de haren. De jongste lagen in de bedstee, waar ze sliepen met vader

en moeder. Mijntje lag meê op den grond. Bram, 't jòngste kind,

onrustig van slaap, bewoog soms met stokkende kreetjes in stuip,

stil-zieklijk kindje, dat langzaam uitteerde. Bekkie het eenig gezonde,

lei stil achterin.

Om de tafel zaten de menschen, bonkige lijven zwartend bij 't schemerig

schijnen der lampen, glimglans op de handen in 't licht, vleesch-rood

op de gelaten, wit-sterke schamp langs de kommen en spullen. Schaduw

van Mijntje's rug strekte stug-strak van 'r stoel over de hoofden der

kindren op den grond, waduw van weifelend zwart. En de deken aan 't

voeteind, rood-met-bloemen-van-geel en lostornde pluizen daartusschen,

wolde in spreidender licht. Achter het hoofdeind was de deur van de

kast waar de strontemmer stond. Er hing daar een plaat met woelige

zee en een man staand in een dobberend hulkje. Ze was haast verbruind,

met bellen van vocht en er onder stond vaagjes-gedrukt met bleekende

letters: _Wilhelm Tell befreit sich durch einen Sprung aus Geszler's

Gefangenschaft._

De menschen an tafel redeneerden nog druk. Mijntje, Rebecca

zaten gieglend te fluistren. Podnowsky, de Pool,--ze noemden 'm

Poddy--twistte met Essie en Suikerpeer. Eleazar, vermoeid van het

slentren, knikte in slaap. In de bedstee huilde een kind. Afleiding

gaf dat, daar Essie ging sussen en Eleazar, òpschrikkend, luisterde

mee-knikkend naar het nieuwe gepraat.

"Dad's Bekkie", zei Suikerpeer en loddrig van lach, zei hij een

grap van 't kind: "Die is zoo góógem, zoo uitgeslape voor 'n kind

van drie jare... Wàs ze niet drie?... Wi-je geloove dad-ze de trappe

afloopt en dan zoek 'k 'r en waar denk-ie dad-ze dan zit?... Bij de

geneiwekoopman!--Maar nou zal 'k je 'n gijntje vertelle... Van morrege

wor 'k wakker en daar zeit de gebenchte memme: "vader wad-heit-u

van-nacht weer met moeder gewipt--U begrijp me: gewipt!--Gijn van

zoo'n kind!..."

Blinde tante Reggie lachte èn Essie èn Mijntje èn Rebecca--de meisjes

met proestend na-giglen en schuw-driestig kijken. Essie die 't kind

had gesust, vertelde dan verder:

"...Weet je nog van Joozepie oleveschonoe--Wil u gloove Poddy: we

hebbe ellef kindere gehad!--as diè wakker kwam en we deeë iets--ù

begrijp me wel, dan begon-ie te roope: vàder, vàder, vàder ik

mod poe-oe-oe-pè!... Moeder, ik mod poe-oe-oe-pè!... Mijntje, ik

mod poe-oe-oepè!... En àls van voren af an, om geregeld mesjogge

te worde... net zoo lang tot wij d'r uit moste scheije! Ogge

nebbiesch--nou is-die dood en 'n schein kind--werachtig 'n

christenkind!..."

"...Ja", zei Suikerpeer snel--vergeefs had-ie met z'n oogen zitten

knip-wenken om Essie te waarschouwe dadde Mijntje en Rebecca zulleke

bed-dinge niet moste hoore--nou sprak-ie mal-luid om 't gelach héen te

praten: "Je ken wadde beleve! Lach nou zoo niet! D'r valt nimmendal

te lache! Ja-ja we hebbe al vier kindere na Zeeburg gebrach en 'k

denk--dat Brammetje,--dat Brammetje..." Hij stokte in bekijking van

het bedsteedonker, waar 'n ademkreuntje in hapering stootte.

"'t Is 'n wònder, 'n wònder die herzensziekte", zei Essie bedrukt,

de handen in 'r schoot.

"Alles wat Gòd doet is welgedaan", zei rustig-glimlachend de blinde:

je mot God met vràge nie verzoeke--Kom, Eli breng me de trap af..."

Ze stond op, storend Eleazar, die met het hoofd in de hand naar

Rebecca keek, naar 'r sappig gezichtje in den tuimel van zwart haar,

naar het git van 'r oogen.

Hoe komt die hièr--dacht-ie. Hoe is die zoo frisch gebleven bij

ouwe, verdane menschen? En wat lacht ze driest--wat heeft ze gemeene

trekkies om 'r mond--wat 'n vreemd snuitje--As ze nièt lacht, me niet

ankijkt--as ze stil bij de lamp zit--is ze 'n vervroolijking van de

kamer--en às ze lacht--as ze met natte lippen wacht of 'k méélach--gaat

'r iets klams, iets branderigs, iets hinderlijks van 'r uit.

"Blijf-ie zitte, Eli?"

"Nee-nee," zei-ie opgewekt.

Voorzichtig liep-ie voor de blinde, 'r hand vasthoudend, tree voor

tree, bracht 'r naar de zoet-walmende kamer benee, stak de lamp aan,

verstrooid.

"...Wat doe je? Wat doe je?"--glimlachte ze: "voor mijn hoeft 't

alweer nie!... Maar nou je hièr bin--: je boterhamme staan in de

kas... Neem-die medeen mee... Hoor je? Hoor-je?..."

In de glazen kast zag hij ze, nam ze van het bord, zei 'r goeien nacht.

"Gebruik je verstand, je verstand, Eli", sprak zij hem na: "wat ken je

mazzel weze mee te doen met de òngijn van 'n schtaking?.. 'n Schtaking

is ongeluk--òngeluk... Wees geen verschwarzte nar--ik ziè de zake

zooveel beter as jij ... zooveel bèter ... zooveel bèter... Ga nou

morrege na Berlijn, die heit gróót werk."

"Nee", zei hij beslist... "as 'r geen smàusen en zieltjes onder de

arbeiders waren, zouen we àlles doen... Ga maar slapen... Van Dovid's

verdiensten vreet ìk niet mee... Ik kom er wel. Goeien nacht."

Hij sloot de deur. Op de plaats was 't nachtduister. In de

massale zwartheid der muren, zwart als de lucht boven, broeide

venstergekwijn, licht als het rood van moede oogranden. Dat stond

zwijgend, had angstige sproeiïng van rottend rood in het plompe,

builende zwart. Zelfs geen menschenbeweeg en geen schaduw, enkel

vaal-rood langs ouwe gordijnen.

Het hol van de poort wasemde schuifelend grondlicht. Met het brood

in de hand ging Eleazar er heen, struiklend over een emmer die niet

was binnengehaald. De deur van den schoenmaker stond wijd-open. Hij

zelf zat op de keldertrap, arbeidend voor de tafel, die hij naar

zich toe had getrokken. De vrouw was gaan slapen bij de kindren

in de bedstee. Het water, hooger gerezen, had gouden glanzels en

'n keeglende gouden lampe-baan naast de teere weerspiegling der tafel.

"Nou zie je wat d'r hurrie geholpe heit," praatte de schoenmaker

voortwerkend: "as je de hàlve nacht blijft scheppe, helpt 't nòg

geen mieter! Zoo ken 'k teminste werreke en morrege trekt 't de grond

in. Dat eeuwig geneuk van die wijve!"...

Zijn hamer beklopte een zool, indrijvend de pinnen, de vuist, prop

om den steel, schoot driftig op naar het oor en weer neer.

"Werk plezierig," zei mat Eleazar.

"Plezierig!--Plezierig!" herhaalde de man monotoon en flauw-lachend.

De trap kraakte stug onder zijn voeten, nu hij naar boven ging. Hij

bewoonde de kamer bòven Suikerpeer. Amerika had 'm verwend. Hij had

niet meer kùnnen slapen, sámen met Dovid op den grond van de alkoof,

bij tante Reggie, Saartje en Moosje. Hij woonde alléén, at bij

Reggie. Zoo was 't het beste geschikt, niet te duur. De kamer dee

vijftig cent in de week--en hij was vrij. Bij Podnowsky, den Pool,

stond de kamerdeur aan. De lamp had gestoomd. Zweving van roet was

tot op 't portaal.

"De lamp heit gewalmd. 't Stinkt," zei Poddy, die rondliep op kousen

met knollige gaten. Aan oude bretels hing zijn broek en de paars-groene

borstrok omspande de magere borst. Vaag zag Eleazar een bed op den

grond, hoofden van kindren, 't open gesprei van een bedstee, een

pot en op tafel stronken van bloemkool. Meer bij de deur stond een

kleinere tafel met doozen tabak en sigaretten.

"Da's mìjn negotie," zei Poddy, strijkend de hand door den baard en

wijzend naar de sigaretten: "daar mod-ik me vijf kindere d'r monde mee

stoppe.--Wi-jij d'r een rooke, 'n echte Rùssische, na je soupé? 't Is

'n fijne."...

"Graag", sprak lachend Eleazar en terwijl de hoekige jood er een

uitzocht, keek hij naar 't matras op den grond, waar hij hoofden

onderscheidde--een klein kind--een jongen met aankomend snordons--en

Rebecca die 'm aan lag te kijken, lachrig-verlegen. Bij 'r hoofd, op

'n stoel, was 't slordig gekreuk van 'r rokken, 'r broek bovenop met

nog slingrende banden.

"Rook 'm bij je soupé," zei Poddy: "en doe niet as Dovid 't

pèstgezich! Jij heit gelijk. Gezegend zal je weze."...

"Dank je. Goe-nacht. Slaap wel," wenschte Eleazar, hooger klimmend

naar zijn kamer.

Er was geen licht. Tastend in 't donker, duwde hij het raam op, schoof

den manken, matten stoel bij, begon van de boterham te eten. Maar

na een paar happen, in onrustige gedachten, lei hij 't brood op

de vensterbank, keek naar de dakpannen aan de overzij. Het was een

volkomen donkre nacht. Voor hem uit klompten de daken diep-zwart,

bizar en geweldig, vreemd-gestolten pantser over het leven daaronder,

grauw-ijzren domper over rood-kleine kamers. Een eenzaam dakraampje

in de zwarte allee van vele giganteske dingen had hetzelfd rottend

rood der ramen van straks.

Diamantstad · 第 12 / 26 题