BEGELEIDEND WOORD, TWEEDE DRUK.

Schrijver van dit werk--tegenstander van Inleidingen--begeeft zich

opnieuw, met weerzin, in eene verklaring.

De tijd zou er buiten kunnen, buiten moeten, als het lezend publiek

van de verhouding van beoordeelden en beoordeelaars weet had.

Over _Diamantstad_ moet heel wat betoogd zijn, zelfs proza, zelfs

onwelriekends.

Zij, die het verhaal (géen roman) door de plotselinge betreding der

diamantbewerkers-sfeer, in zijn boekvormpublikatie stuitten (Verg. de

hierboven genoemde jaartallen) moeten, om de aandacht eener unfairheid

af te leiden, 't hardst geschetterd hebben.

Het is noch tegen dierbaren, noch tegen een bepaald geval, noch tegen

den algemeenen geest-van-verwording in de letterkundige aanschouwing

van dit land, dat deze inleiding gesteld wordt.

In littérairen zin van de gemoedelijkste onverschilligheid,

onbereikbaar voor de gevreesden-van-vandaag, de goden met den eenen

voet in de eeuwigheid, den anderen in 'n krant, meenen we dat onze

période-van-zwijgen nog niet geheel is gekomen, vooreerst niet

komen kan.

In de groote pers geen gastvrijheid vindend, om onze overtuiging

uiteen te zetten, doodgezwegen of met 'n handigheidje terzij-geschoven,

achten we het zeker nuttig vermaak de drukken en herdrukken der eigen

schrifturen van een polemisch allerlei te voorzien, hetwelk hier en

daar 'n lezer, niet door lieve vrienden voorgelicht, tot meditatie

van ook ònze bedoelingen, kan verschalken.

De vergissing van den sociaal-demokratischen auteur in het bijzonder,

is zijn geloof aan een eigen, wel-doordachte, wils-rijpe levenslijn.

't Eerste 't beste liberaal lidje van 'n gemeente-raad of van de

Kamer--tijdgenoot, van huis-uit merkwaardiger dan 'n auteur--heeft het

recht tegen onjuiste opvatting van zijn argumenten over riooleering

en verlichting, in Raads- en Kamer-overzicht, protest aan te teekenen.

Een auteur, niet in deze dadelijke belangen-richting werkzaam, wordt

als een onmondig beestje behandeld.

De zaak heeft hare tragische zijde--voor hen, die de schrijver meende

te helpen.

Een voorbeeld uit vele:--het Spel-van-de-zee _Op hoop van

zegen_ vestigt op "zekere misstanden" de publieke aandacht, anno

1899. Bezadigd aan, na mudden vuil, kolommen laster, daagt eene

gedeeltelijke kentering, eind 1906. Hulde!

Sinds 1898 worden fragmenten uit het groote-stadsverhaal

_Diamantstad_, zonder rillerige bedoeling van epos, romantiek,

literatuur gepubliceerd--'n auteur, enkel gegrepen, ontroerd door

misdadige ellende, praat met zijn Gemeenschap.

De littéraire hommels snorren toe, kwijlen over een "roman"--kleeden

den kouter tot over z'n navel uit--geen hand komt voor de aangeduide

schande in beweging.

Vleesch-geknoei in Amerika--ah, 'n gruwel--afgehakte vingers

geconserveerd--om 't te besterven!

Maar de woning-ellende, de degeneratie-door-armoede, de heenrotting

van dicht-bije medeburgers, wien interesseert dat, als 'n zin zich

onkuisch voordoet, als 'n beschrijving epischer te geven is, als

'n parabool mishaagt?

Welk een minderwaardige tijd is de onze.

Jammer en smart worden tot leesbare, liefst dikke boeken, ter eere

eens ijdelen schrijvers verkneed--en 'n "verhaal" dat met verbittering

het gewonde leven omhoogstuwt, wordt door 't gejenk-over-kunst den

zwakbeenigen lezer tegen-gemaakt.

Waren sommige hoofdstukken van dit boek niet uitermate geschikt, om in

synagogen en be-kruiste kerken van den kansel te worden gelezen--of,

na het gebed in den gemeenteraad--of, bij de uitvaart van 'n armen,

in zorgen gestikten jood?

Moeten we àllemaal dienen voor in kunst barstende krante-kolommen?

De levenslijn des auteurs.

Mei 1898--de schrijver van _Diamantstad_ houdt waarlijk geen oratio

pro domo, nà wat ongure aanvallen--had in het tijdschrift _De Jonge

Gids_ eene polemiek met den heer L. van Deyssel, die zich loffelijk

over verschenen fragmenten had uitgelaten, plaats.

Men pleegt zelden tegen verheugende beoordeeling op te komen--de

auteur-mèt-zijne-levenslijn verdedigde zich, wilde niet aanvaarden.

O.m. en ongeveer schreef hij het volgende:

WelEdgeb. Heer Van Deyssel,

In de voorlaatste aflevering van het "Tweemaandelijksch

Tijdschrift", is U zoo vriendelijk op meer dan welwillende

wijze over den arbeid _Diamantstad_, dien ik in _De Jonge

Gids_ begonnen ben, te spreken. Het was mijn voornemen U naar

aanleiding van door U gebezigde uitdrukkingen, eenige vragen

te stellen. Bezigheden hebben dat tot heden belet--er was

geen buitengewone spoed bij. U schrijft:

"Het feit dat dit (de gepubliceerde hoofdstukken)

uitmuntende literatuur is, zou het zeer onaangenaam

doen vinden als het gevaar voor ondergang van

een inderdaad groot talent bleef voortduren door

veelschrijverij of minder goede letterkundige

situatie"...

_Veroorloof mij op te merken, dat het qualificeeren van de

beschrijving der toestanden, der werkelijke toestanden in

een stadsdeel van Amsterdam--van toestanden zoo gruwelijk

en schandelijk, dat zij alle daden van wanhoop zouden

rechtvaardigen--tot "uitmuntende literatuur" een lof is,

die mij pijnlijk heeft aangedaan._

_Het zoo formuleerend, doet U wel zeer scherp uitkomen het

verschil dat er in onze aandoeningen bestaat._

_Ik vermeende een déél der ellende te beschrijven--gij

kijkt over die ellende heen, vermeidt U in de "uitmuntende

literatuur", op die gruwel-toestanden geinspireerd._

_Ik herhaal: die woorden hebben mij gehinderd en eene

gedeeltelijke ontnuchtering gegeven._

_Het schijnt het noodlot van alle aanklacht, allen opstand

tegen verdrukking, om--zoo de uiting door wat men een

"kunstenaar" noemt, plaats heeft--als literatuur te worden

verstikt._

_Aan dat noodlot heeft U mij welwillend herinnerd._

Gij zegt dat gij het zeer onaangenaam zoudt vinden, als

voor den auteur in quaestie "het gevaar voor ondergang door

veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie bleef

voortduren", nadat gij even te voren volkomen terecht opmerkt,

dat hij tot 1896 niets van waarde publiceerde.

De door U besprokene breekt Augustus 1896 met zijn baantje,

als tooneel-recensent, in dienst der zich vermakende

bourgeoisie. Van af dien datum _tracht _hij in de allereerste

plaats voor degeen die het noodig hebben, voor zichzelf in

de laatste iets te zijn. Gij let nu wel op dat hij _na_ 1896

"literatuur" geeft, begrijpt evenwel niet _de oorzaak_.

Waarom zoekt gij niet de schuld van dat _tot_ 1896 impotent

zijn bij de omstandigheden?

Waarom niet ruiterlijk gezegd: "Ziet hier dan weder een auteur,

die van de alles vermuffende, ideaal-looze bourgeoisie--de

bourgeoisie vermoordster van alle kunst, ook van haar eigene,

voor zoover het kòn vrijgekomen, tot ontwikkeling van wat

goeds in hem is, geraakt."

Ziet gij niet het sterk contrast tusschen den

bourgeois-auteur, tot midden 1896 gekneveld--en den wakker

geworden sociaal-demokraat, bezield door een ideaal, eene

levensbeschouwing, niet meer hechtend aan "reputatie"?

Waarom in uwe vage termen gesproken?

Waarom gaat gij, die bij scherper nadenken beter kondt weten

met beschouwingen voort, die niet het individu in quaestie,

maar uitsluitend het economisch verband, het Stelsel dat

_alle_ productie aan eene heerschende klasse ondergeschikt

maakt, raken?

Onmiddelijk na uwe meening dat _Diamantstad_ "uitmuntende

literatuur" is, vervolgt gij met de reeds genoemde bedenking,

dat de auteur ook nu nog kans heeft onder te gaan door

"veelschrijverij of minder goede letterkundige situatie." Ik

ben dit met U eens. Maar alweder heb ik overwegingen.

Wanneer een schrijver ondergaat door "veelschrijverij of

minder goede letterkundige situatie"--aan wien de schuld?

Beseft gij niet, dat hier weder de _omstandigheden_,

het worstelen van 'n individu om zich staande te houden,

_oorzaken_ zijn?

Gij en ik "leven van onze pen." Welke is _uwe_

belooning? "Welke de mijne? Kent gij--alleen voor u ziende

de opbrengsten uwer "pennevruchten"--één oogenblik zorgeloos,

frisch leven?....."

Van dit opstel--Mei 1898--is het, in verband met het voorafgaande te

missen slot, om motieven van duidelijkheid geciteerd.

De hoofdzaak bepaalt zich tot het _gespatieerd deel_ waarin de

schrijver van _Diamantstad_, tóén nog aan geen boekvorm denkend,

de loftuiting eener "uitmuntende, literatuur" als eene beleediging

verwierp.

Nutteloos.

Van 1898 tot 1904 (eerste uitgave) blijven de "werkelijke toestanden

in een stadsdeel van Amsterdam, zoo gruwelijk en schandelijk, dat

zij alle daden van wanhoop zouden rechtvaardigen", ònveranderd. Geen

der lettrés kreeg de branding in het hoofd mee de alarmklok te

luiden--dit boek, dat zich niet tot literatuur wilde verlagen, dat

eerlijk zei wat het wilde, werd door 't gelik, 't dekadent gewauwel,

't gesatineerd woord-ontrafelen, aan dàt deel van het publiek, dat

zich láát leiden, onttrokken.

Van 1904 tot 1906 is de ellende in de jodenbuurt Ellende--de

hart-ontroerende hollandsche literatuur vadzige, zelfzuchtige, enkel om

"schoonheid" blerrende Literatuur gebleven.

"Het schijnt het noodlot van alle aanklacht, allen opstand tegen

verdrukking, om--zoo de uiting door wat men een "kunstenaar" noemt

plaats heeft--als literatuur te worden verstikt", klaagt de auteur in

'98.

Vandaag doet hij 't met het "Begeleidend woord" nog eens over.

Over de "littéraire waarde" van _Diamantstad_ uit de belanghebbende

geen verweer. Die behoorde na de in '98 zuiver gestelde verklaring

voor ieder dènkend individu buiten debat te blijven.

Beschouwt dit boek-van-aanklacht, tot verheugenis van den verteller,

als een brochure, 'n pamflet, 'n niet aan de hielen der literatuur

reikende woord-verkrachting--praat er over als van derde-rangs

journalistiek--maar opent de oogen voor de wanhoop in uw omgeving! Er

valt te doen. Er moeten velen worden gepord. Er ontbreekt het

een en ander..... ook aan de auteurs-van-vandaag, die in heengaand

literatuur-geknabbel verlamlendigen, in plaats de hóógste menschelijke

plicht te vervullen.

'n Plicht?....

Welk een woord!

De plicht van een gezien auteur is bezig te houden, te vermaken, te

epateeren, te vogel-verschrikken-met-realisme--te dichten, ja zelfs

in 't openbaar over de aandoeningen van 'n hart te snikken--géén

ellende-opstapeling, géén doel, géén maatschappelijke tendenz.

De toegejuichte plicht is 't vertoonen van 'n pauwestaart in al z'n

kleuren--géén doorzichtig "plan," om voor Zon, Groen, Lente, Vreugde

eene zotte propaganda te maken.

Wanneer zal de doorsnee-lezer begrijpen, hoe aangenaam en màkkelijk

't is _uitsluitend letterkunstig auteur_ te zijn?

Wanneer zal diezelfde, na de lectuur van 'n boek, dat er 'n

eer en 'n hartstocht in stelt nièt in de algemeene vergissing te

beschimmelen--zich op 't pad begeven, om mee te helpen aan den hoon

van stede-leven een eind te maken?

Voor slot--dan schijnt het verschil tusschen socialistisch en

burgerlijk "kunstenaar" voor den zelden ingelichten lezer voldoende

te dezer plaatse te zijn toegelicht--een repliek aan den heer Van

Deijssel, waarin men tevens zìjn beantwoording van het stuk van

daareven vindt opgenomen. Die repliek, gedateerd Juni 1898, dus steeds

vóór het verschijnen van het boek, detailleert nader het _streven_

van den auteur van _Diamantstad_. De _hoofdlijn_ dier repliek, is

onze zienswijze van heden--onveranderd.

_WelEdelgeb. Heer!_

Waar ik U in mijn vorig schrijven antwoord op eenige vragen verzocht,

daar bestond vóór alles de doorzichtlijke bedoeling U opnieuw over

_Socialisme_ te doen spreken, thans evenwel niet om als resultante eene

derde, vermeerderde editie Uwer filosofische en artistieke zienswijze

uit te lokken, maar om Uwe redeneering aan te hooren, gebaseerd op

de nuchtere feiten die ik verstrekte. Immers dacht ik, de Heer Van

Deijssel is een sympathiek man, een eerlijk man, en, wat bijna meer

waarde heeft, een man van onhollandsch passioneel temperament. En die

man beschikt over eene mate van invloed, die ik hem benijd, omdat zoo

mijn invloedssfeer ook maar een deel van de zijne was, ik daarvan met

al de kracht van mijn leven gebruik zoude maken voor het welzijn der

Arbeiderspartij, waartoe ik het geluk heb te behooren. Spreek tot dien

sympathieke, dien eerlijke, dien warm-van-harte, zeide ik tot mij-zelf:

hij heeft iets over je geschreven en dat is onjuist, of liever hij

staat op een niet te verdedigen standpunt van kritiek. En wanneer je

hem de klaarheid der feiten, de wezenlijkheid der dingen voorhoudt,

zal hij, niet weifelend, niet schipperend, niet klein-van-uitvlucht je

opmerkingen ontwijken, maar eerlijk sprekend, met kijking van kalme in

kalme oogen, je toegeven dat zijne kritiek de fout had afzijdig van de

innerlijke omstandigheden te staan, dat zij leed aan de vele euvelen

van kritiek, die economische grondslagen verwaarloost, dat er in het

algemeen, over welke zaken ook, geene andere kritiek te zeggen valt

dan die op kennis van _alle_ levensverhoudingen baseert. Langs dezen

indirecten weg, meende ik, zul je Van Deijssel en dóor hem mogelijk

weer anderen er toe brengen, het oude, gedeeltelijk vergane gondeltje

te verlaten, om mede de riemen te hanteeren in de krachtige praam

van den Arbeid, die allengs tot een slagschip, zoo onverwoestbaar als

nimmer bestond, groeit. En verbeeldt u het schoone geval--in een klein

land als het onze niet zoo ganschlijk ondenkbaar--dat àl-kunstenaars,

àl-sterksten in ontwikkeling, gevoels-, gedachtenleven, het minachtend

verdraaiden, het uit-den-aard van hun nieuw bewustzijn en hunne nieuwe

sentimenten _niet meer te volbrengen wisten_, amusements-dienaren

dezer bourgeoisie te zijn, die haar kunstenaars, haar tobbende

kunstenaars als àlle voortbrengers behandelt; die in zake-van-kunst

Hofjes-van-liefdadigheid sticht, fooien uitdeelt, beschermheertje

speelt--in ruil evenwel (dons gratuits zonder nevenbedoeling!) voor

de niet te versmaden renommée van "aan kunst te doen", of toegelaten

te worden tot den meer intiemen kring eens kunstnaars en dan verder

den beschermeling in snobisme te verstikken, gelijk de beruchte

Koning-der-snobs Multatuli gestikt is. Ver-beeldt u, o ver-beeldt

u den droom van eene Arbeidsbeweging reeds zóó begrepen--alle

niet medegaan met de Sociaal-demokratie berust op _niet_ weten,

_niet_ begrijpen--dat het dàn beste der bourgeoisie, schouder

aan schouder, rede naast rede, spier aan spier, de Arbeidspartij,

haar klassestrijd, haar idealen steunde, meê-propageerde. Gelijken

ons, sociaal-demokraten, thans reeds de vreugden, het leven aan

de overzijde, verzengd als de wit-grijze vlakten eener woestijn,

stinkend als stilstaande sloot bij de naadring van onweer, jammerlijk

van aspect als de verkoolde nog zwak onderling stuttende ruïnes van

huis waarin brand al het leven-bijzettende heeft verwoest, leelijk

als eene straat van cementen baksteenen koopjeshuizen, eene straat

zonder groen, zonder hemel, zonder horizon, zonder iets anders dan

kleine, zure, benauwde burgermanszorg--, gelijken ons thans reeds

de overzij-genietingen klagelijk-vervelend, de overzij-godsdiensten

onwaardig, de overzij-geestdriften kippetjesdrek, de overzij-smarten

(òneer, verlies-van-bezitting enz.) levend-mensch-zijn bespottend, de

overzij-kunsten vergissing (niet beinspireerd op een gróót Ideaal),

de overzij-wetenschap bezit van een deel der Gemeenschap. Hoeveel

grooter zou dit sentiment in ons komen te staan, wanneer nog de

bourgeoisie hare kunstnaars geheel zou moeten missen, zoo het

verlepte op één grooten hoop bleef en het levende, het saprijke,

het jeugd-krachtige, het bloesemdragende te weer liep, allen één,

onverwinlijk door den granieten onderbouw eener nieuwe wetenschap,

allen zeker van de toekomst, omdat die toekomst door de bemachtiging

der productiemiddelen ten algemeenen welzijn, nieuw leven, andere

levensvisie, andere groote in-de-maatschap-wortelende kunst brengen

zal.

Evenwel dit is droom en ik had mij voorgesteld koel, feit na feit

ontledend, met U te redeneeren. En zoo meen ik nu in dit wederantwoord

wel te doen U op den voet te volgen, wat gij mij wel gemakkelijk maakt

door uw repliek zóó volkomen sober te geven, _dat gij zelfs verzuimt

mijne vragen te beantwoorden_. Destijds polemiseerend met Van der Goes,

hebt gij verklaard dat de beste polemiek-methode die is, "welke het

gevoelen des tegenstanders in zijn geheel aanvat, opdat dus de twee

gevoelens met elkaar in kontakt zouden komen." Deze methode past gij

echter niet toe in het onderhavig geval. Gij beantwoordt zaken, wier

beantwoording ik u _niet_ vroeg, althans niet vooropstelde, terwijl gij

het "Antwoord _op zuiver maatschappelijke zaken_" schuldig blijft. _En

juist dat had ik noodig._ Want het overige brengt ons op een vrij wel

onvruchtbaar terrein, òf op een terrein rijk aan meerder spitsvondige

dan terzake-nuttige argumenten. Ik volg u evenwel. Gij schrijft:

"Indien uw doel met schrijven is, medelijden met ongelukkige

menschen op te wekken of het verlangen te doen ontstaan

naar verandering van maatschappelijke toestanden, geloof ik,

dat gij een niet-doeltreffend middel hebt gekozen.

"Een courantenbericht over een ongelukkig achter gebleven gezin

op een visscherseiland wekt medelijden op. Een nuchtere of

ook een op zekere wijze welsprekend-gevoelvolle beschrijving

van mijnwerkers of fabrieksarbeiders-leven kan het verlangen

naar verbetering van maatschappelijke toestanden doen ontstaan

of versterken; ik ontken beslist dat geschriften, die het

karakter van _Diamantstad_ hebben, op dit gevoel werken.

"Naar mijne meening, doen zij dat evenmin als een schilderij

van Jozef Israëls of een treurspel van Raine dat doet.

"De vraag naar de verwantschap in de verhouding tusschen

de gewaarwordingen, die deze kunst verschaft, èn die van

medelijden en verlangen naar maatschappelijke verbetering,

ben ik thands niet in de gelegenheid te behandelen."

Neen, het is _niet_ mijn doel "medelijden met ongelukkige

menschen op te wekken." Medelijden van dien aard zal elk denkend

sociaal-demokraat met innige verbetenheid verwerpen. Wij vragen geen

aalmoezen, geen toegeworpen beurs, geen zoet-krauwend medelijden

van de tegenpartij. Wij vinden het (burgerlijk) medelijden, dat

zich in zoogenaamde goedertierendheid, barmhartigheid, bewogenheid,

milddadigheid en een reeks meer dezer aandoeningen uit, die wij voor

ons opdrijven--zooals de nadering van een vijandelijk leger door

gedrang van benarde vluchtelingen wordt aangekondigd--wij vinden dat

"medelijden met ongelukkige menschen", hetwelk eeuwen lang als iets

voornaam-christelijks heeft gegolden en menig ploertig individu eene

voortreffelijke reputatie bezorgde, zóó geweldig uit den booze, dat

geen onzer er aan denken zal op dat "medelijden" te spekuleeren,

veel minder het "op te wekken." Laat mij u een voorbeeld geven

[1]. In uw opstel _Gedachte, Kunst, Socialisme_ (1890) schrijft gij:

"Liefdadigheid is in zekeren zin tegenovergesteld aan

socialisme, want de in purpere zijde gekleede edelman,

die zijn goudbeurs aan een troep bedelaars toewerpt,

vermeerdert daardoor nog het aspekt en het wezen van zijn

hooge en ongemeenzame rijkheid en gelukkigheid, terwijl

de vermeerdering van het geluk der misdeelden exceptioneel

en accidenteel is, in plaats van konstant, reglementair en

principiëel. De liefdadigheid vind ik dus iets uitmuntends"

[2].

Aan of in uwen "in purpere zijde gekleede edelman"--ze zijn er niet

meer, maar wij willen ons een oogenblik zulk een bijzonder wezen

_fantaseeren_--ontdekken wij nu niets schoons, niets dat eenige

goede aandoening verwekt, niets dat prijzenswaard voorkomt. Vermeent

gij nu inderdaad dat een auteur, een die het klasse-bewustzijn

gevoelt, een die met een onuitroeibare minachting de bourgeoisie

overkijkt, voor ùwe in purpere zijde gekleede edellieden bedoelt te

schrijven, hun medelijden, d.w.z. hun _liefdadigheid_ zal trachten te

beflik-vlooien? Wanneer ik een deel der Ellende in ònmachtig beeld

tracht te zetten, dan heb ik daarmede nòch de bedoeling medelijden

op te wekken van _ùw_ lieden van wie wij geen medelijden vragen,

lieden waarbuiten wij het volkomen kunnen stellen, nòch den wil

_bij die lieden_ "het verlangen te doen ontstaan naar verandering

van maatschappelijke toestanden." In het algemeen heb ik, al

schrijvend, geen "bedoelingen", _maar laat mij leiden door het

klasse-bewustzijn en in zooverre dat tendentieus is, onderwerp

ik mij onbewust_. Het komt mij voor, dat elk waarachtig geloof op

deze wijze terugwerken zal, terugwerken moet. En wel zeer curieus,

waarlijk-opmerkelijk, noem ik uwe verklaring, dat een arbeid van

dien aard u geen "medelijden" geeft--gij zeidet immers er alleen

"literatuur" in te ontdekken--hetgeen u wèl overkomt bij het lezen van

"een courantenbericht over een ongelukkig achtergebleven gezin op een

visscherseiland, een nuchtere of welsprekend-gevoelvolle beschrijving

van mijnwerkers- of fabrieksarbeiders-leven." Welnu, als _ik_ zulk

een aandoenlijk courantenbericht of zulk eene ijselijk gevoelvolle

beschrijving lees, dan zeg ik tot mijzelve--dagelijks doet zich de

stof voor--: Kijk nou 's hoe de krant weer "menschlievend" is, wat

'n lief bericht voor betalende abonnés en wat paait de redacteur z'n

lezende leugenaars! Want zóó is 't natuurlek niet gebeurd. En zóó

is die beschrijving pasklaar gemaakt om geen aanstoot te geven. En

wat is die boel rot, die boel van onderling-konkelende, schrijvende,

lezende bourgeois, die mekaars meelijden opwekken, meelijdend die

vreeselek-treurige dingen besnotteren, meelijdend d'r bol schudden,

meelijdend 'n postwisseltje inzenden aan de "treurig achtergebleven

weduwe met acht kinderen", meelijdend nakletsen over eene ontzettende

mijnramp, meelijdend het arbeidend proletariaat laten verrekken, om

morgen en overmorgen en nog vele jaren meelijdend te blijven, tot zij

mèt hun medelijden opgedoekt worden. Ik herhaal uwe verklaring curieus

te vinden, acht mij gelukkig dat een stuk _werkelijke Ellende_ _niet_

het sóórt medelijden verwekt dat ieder ònzer verafschuwt, _wel_ bij

nadenkende partijgenooten _het schóóne medelijden, dat mede-leven,

mede-gevoelen, mede-in-verzet-komen, mede sterker-bewust-worden

beteekent_. En of er in beschrijvingen als in het bedoeld werk

propagandistische kracht is, wie zal het beoordeelen? Gij noch ik. De

aandoening, die men bij dèrgelijke lektuur ondergaat, is van zuiver

subjectieven aard. Ik onderstel dat Dostojewsky van invloed geweest

is, dat, om een populair voorbeeld te noemen, _Uncle Tom's Cabin_

veel heeft bereikt. Gij leest als literator, als verfijnd vakman,

gij zijt door uwe verfijning van eene zoo groote wreedheid geworden,

dat ik u eenigermate bij den artist moet vergelijken, die wanneer

zijne vrouw sterft hare doodsangsten observeert om ze later in een

stuk "literatuur" op aandoenlijke wijze weer te geven. Ik vraag u

na dit voorbeeld om verschooning, als ik u gekwetst heb, maar alle

uwe uitlatingen wijzen er op dat gij, gij, sympathiek, eerlijk--als

literator een geraffineerd ongevoelige zijt. Ik zou u zoo nièt zien,

zóó ik u--nadat gij ernstig uw tijd overkeken hadt--als man voor mij

had, die met dreigende vuisten tegenover de ongerechtigheden zijner

klassegenooten stelling nam.

Uwe ongelooflijke nalatigheid is deze, dat gij uwen tijd _niet_

ernstig overkeken hebt--bijgevolg toestanden en gevolgen beoordeelt

zonder gerechtigd te zijn er uwe meening over te zeggen. Gij schrijft

toch onmiddellijk na het boven meegedeeld citaat:

"De zaak is, dat gij, behalve uw uitmuntende kunst, nu uw

sociaal-demokratischen kijk op de dingen hebt en dat ik dien niet heb.

"Ik heb op dit oogenblik geen andere gevoelens aangaande dit

onderwerp te geven dan die reeds in sommige mijner geschriften zijn

uitgesproken."

Wat verstaat _gij_ onder "sociaal-demokratische kijk"?

Ik zeide het straks reeds, dat het een grove vergissing

is te veronderstellen, dat waar het klasse-bewustzijn, de

sociaal-demokratische overtuiging een zoo integreerend levensdeel

geworden zijn, zóó een met àlle voelen, zien, waarnemen, ontleden,

een ànder integreerend levensdeel _daarnaast_ zoude staan. Dit is

eene vergissing zoo zonderling, dat ik haar bijna niet verklaren

kan. Ik verbeeld mij, dat gij u het socialistisch sentiment

voorstelt als een ding gelijkstaand met de eminente gevoelens van

een liberaal, een radicaal, een katholiek, een anti-revolutionair--in

verkiezingsdagen. En 't spreekt wel van zelf, dat nòch radicalisme,

nòch liberalisme, nòch katholicisme (in politieke beteekenis)

éénige stuwkracht bezitten kunnen. Gij, niets afwetend van de

Sociaal-demokratie doet meer dan naïf diezelfde redeneering op

haar toe te passen, door als zooveel anderen te denken dat een

"sociaal" eene ongeveere nuance is van een der andere burgerlijke

verkiezings-titulaturen. Juist omdat gij door een in _U_ te misprijzen

laisser-aller het Socialisme niet de moeite waardt vond om er degelijke

werken op na te slaan en het méér dan genoeg achtte o. m. uwe

"intuïtie" in deze als basis te erkennen [3], zijt gij buiten den

wijsgeerigen grondslag eener reusachtige beweging gebleven en nog

steeds in den waan dat een kunstenaar er een sociaal-demokratisch

"aanhangsel" voor koffiehuisgesprekken, stembus-gelegenheden etc. op

na kan houden, zooals hij voor de gezelligheid of "uit overtuiging"

liberaal of christelijk-historisch kan zijn. Maar hebt gij dan zelfs

niet _gevoeld_, gij schuimend-in-hartstocht in uwe jongere jaren,

dat waar over de geheele wereld duizendèn individuën deze liefste

hunner overtuigingen tot met den dood zouden willen beklinken, dat

waar er geen land zonder martelaren van de daad of van de idee is,

dat waar de bèste idealisten van een volk _alleen onder socialisten_

te vinden zijn, dat dáár een kracht, een drift, een passie in

die opwaking, in die overtuiging scholen, die zich vroeg of laat

in kunstuitingen _moeten_ openbaren? En gegeven die opwaking, dat

bezielend, levensideaal-wekkend sentiment in een bepaald individu,

hoe wilt gij zijn kunst van zijn beste levenssappen scheiden?

Er is meer.

Ik beweer, dat gij den "Dood van het Naturalisme" (1891), gevolgd door

uwe "Levensleer" (1895) [4] _nooit_ zoudt geschreven hebben, dat de

Cyclus _Rougon-Macquart nooit_ zoude mislukt zijn, als het leidend

sentiment bij U en Zola het sociaal-demokratische ware geweest. En

ik vraag met alle bescheidenheid uwe aandacht voor dit beweren, daar

er de stelling van zooeven in omgekeerde rede uit te bepleiten valt.

Veroorloof mij het 't eerst over Zola te hebben. De cyclus

der _Rougon-Macquart_ is een reuzenarbeid op valsche basis,

wat het wetenschappelijke aangaat en ongeveer hetzelfde wat

betreft de bezielende impulsie, die den cyclus in zijn gehéél tot

kunstwerk kon opvoeren. Behoeft het eerste nadere aanduiding? Is

er iets respectabels, iets van langer dan mode-duur blijven staan

van dien fameuzen "stamboom", van de populaire "heriditeit",

van de "voorbeschiktheid" van het individu? Kon Zola eene

menschheid-omvattenden cyclus scheppen _met een wetenschappelijken

ondergrond_, waar de geweldige evolutie Darwin--Marx hem onbekend

was en alleen een stuk Lombrosiaansch onderzoek zijne burgerlijke

verbeelding hanteerde? Zien we niet in Zola en Ibsen hetzelfde

verschijnsel, dezelfde misvatting: wetenschappelijk te willen

voortbouwen op één schakel der Reeks, zonder kennis van de

beginschakels, zonder welbegrepen doel? Dat heeft dan tengevolge,

dat de wetenschappelijke hypothese uit zijn wetenschappelijk,

maar vooral uit zijn sociologisch verband gerukt, een stokpaardje

wordt _tot_ de verdere ontwikkeling der theorie (zooals bij Lombroso

bijv.) vooral door sociaal-wetenschappelijke onderzoekingen, het fraaie

gebouwtje van den romanticus in puin werpt. Bij opmerkzame lezing van

_Le Docteur Pascal_, waarin heel Zola's wetenschap gelucht wordt,

kan men zonder moeite constateeren, dat de "Histoire naturelle et

sociale d'une famille sous le second empire" op aarzelingen berust,

dat het schip met zooveel kracht van wal gestooten, aan het willoos

laveeren ging, tot het 't voorland der Moderne Sociologie aan den

horizon ontdekte en al-zinkend die haven poogde te bereiken. Ik bedoel

hiermede de pogingen in Pascal's schema om eenige "erfelijk-belasten",

eenige "types criminels" (erfelijke moordzucht, drankzucht enz.) _te

verbeteren door hen naar een beter milieu te verplaatsen_ m. a. w. de

pogingen, om door betere "omstandigheden" het individu aan de erfelijke

belasting geheel of gedeeltelijk te ontrukken. Hier dus de inwerking

der Moderne Sociologie, maar eene ònbegrepene, zich openbarend in

anarchistisch streven, het zelfd systeem der kommunistische koloniën

die te gronde _moeten_ gaan door het verbroken of ontkend verband

met de tegenwoordige maatschappij en de reeds bereikte economische

ontwikkeling. Hadde werkelijk de cyclus _Rougon-Macquart_ eene

_in dezen tijd_ wortelende wetenschapsbasis gehad, dan zou hij het

_hoogste_ vertegenwoordigd hebben, bereikbaar in de naturalistische

kunst en had het lapmiddel "Les trois villes" achterwege kunnen

blijven. Er is een even groote, misschien zwaarwegender reden

wáárom Zola's arbeid geen artistiek _geheel_ kon zijn, waarom gij

uwe "Overtuiging" (zie _Levensleer_) verloren hebt, waarom alle

Kunst _zonder_ sociaal-demokratische impulsie schijnleven krijgt:

er is geen vrijwillige levensarbeid denkbaar zonder de groote, kalme

vreugde van een Ideaal. Ik kan mij niet voorstellen welke vreugde in

het algemeen die van de schrijvers dezes tijds is, veel minder hoe men

eene _overtuiging-uit-een-stuk_ voor zijn gansche leven kan bewaren,

wanneer die niet tot een onverwelkbaar geloof is gegroeid. Zola

had geen Horizon. Als burgerlijk wereldverbeteraar, dobberend in

zijn Lombroso-hulkje, kritiseerde hij voor de vuist weg, alles in

het negatieve, zonder te weten wàt de apotheose van zijn arbeid

zou zijn, zonder de oorzaken van de dingen wier afzichtelijkheid

hij beschreef, te kennen. Er op los slaand, alle maatschappelijke

kringen "beschrijvend", over de heele wereld mijmerend, ontging

hem de groei eener nieuwe generatie, tot hij wakker-wordend over

de eigen broekspijpen struikelde, zijne zekerheid verloor en U en

zooveel anderen mismoedig deed uitroepen: het is met Zola gedaan,

het Naturalisme is dood. Maar het Naturalisme _was niet dood_: het

schonk aan eenige burgerlijke kunstenaars de schoonheid van een levend

beginsel--het Naturalisme, de eenige _tot de groote massa sprekende_

dàdelijke kunstvorm van een _overgangstijdperk_, kan eerst door eene

sociaal-demokratische overtuiging, tot volrijpheid geraken. Want ook

dàn eerst _zal de kritiek_ een Gezichteinder hebben, een bewust doel,

vóór alles een zoo innig sentiment, een zoo onbuigbaar Ideaal, _dat

geen instorting of stilstand zal kunnen plaats hebben_.

Tenzij ik mij dus zeer vergis, meen ik in het bovenstaande te hebben

aangetoond dat uw gezegde: "de zaak is, dat gij, _behalve_ uw kunst,

uw sociaal-demokratischen kijk op de dingen hebt" niet alleen volkomen

onjuist is, maar dat daarenboven thàns geen kunst _waarlijk-lèvend_

denkbaar is, _zonder_ het sterkmakend Ideaal der sociaal-demokratie,

_zonder_ den sociaal-demokratischen "kijk", die, permiteer mij het

sektarisch geloof, de eenig zuivere, de vertrouwbare waarschuwer is,

om te beletten dat men zich aan het burgerlijk-artistiek genot om van

"mooie" ellende Literatuur te maken, overgeeft.

Amsterdam, Juni 1898.

Meer is over het geval niet te zeggen.

Scheveningen, October 1906.

Heijermans.

Diamantstad · 第 7 / 26 题