hetwelk hij in een verdacht logement bewoonde, en hij scheen dat ook
niet van plan te zijn, want ofschoon de beide detectives zich den
geheelen dag verdekt in de buurt opstelden, was hun moeite
vruchteloos—de misdadiger was en bleef weg.
Toen Raffles dienzelfden avond zijn gewonden patiënt bezocht, wiens
toestand gelukkig geen zorg behoefde te baren, vernam hij van Robert
Spencer, die juist weder naar Scotland Yard getelefoneerd had, dat
„Black Jim” nog altijd niet was gearresteerd en dat hij zich
waarschijnlijk nog altijd verborgen hield bij een van de andere leden
van de bende.
Raffles luisterde met gefronste wenkbrauwen naar deze mededeeling, en
een half uur later nam hij afscheid van den jongen man, na hem te
hebben verzocht hem mededeeling te doen van alles wat hij mocht
vernemen aangaande de pogingen der politie om de moordenaars van
Stephen Ross in handen te krijgen.
Raffles liet zich zoo spoedig mogelijk weder naar de Regent Street
rijden, en zocht Charly op, die in de rookkamer zijn geliefkoosde
sportbladen las.
—Nieuws? vroeg de jonge man, toen hij Raffles zag binnentreden.
—In het geheel niet, antwoordde Raffles, de schurk schijnt onvindbaar
te zijn.
—Ik denk dat wij er ons zelf mee zullen moeten bemoeien, Charly!
—Is dat niet hoogst gevaarlijk, nu de politie eenmaal weet dat je
belang in de zaak stelt?
—Wij zullen wel zorgen, alles zooveel mogelijk in het geheim te doen!
Als wij moeten wachten tot de politie de zaak beëindigt, dan kunnen wij
nog lang wachten!
—Geloof je niet dat Black Jim nu aanstonds de wissels aan de erfgenamen
zal trachten over te doen?
—Dat zal hij zeker, maar daarbij zal hij zeer voorzichtig moeten
handelen, want hij begrijpt wel dat hij anders groot gevaar loopt. Om
die wissels is het mij ook te doen, want ik zal in geen geval dulden,
dat de erfgenamen van Ross meer eischen dan waarop zij recht hebben!
Robert Spencer heeft van Ross een bedrag geleend, ruim driemaal kleiner
dan het bedrag, op de wissels vermeld!
—Zoodat de schobbejak een rente van twee honderd procent heeft
geëischt! riep Charly uit.
—Juist—voor ieder pond dat hij leende vroeg hij er drie terug!
—Maar ik ben bang dat de jonge Spencer zelfs niet het geleende bedrag
zal kunnen terugbetalen!
—Dat zal hem zeker moeilijk vallen—maar het is zijn plicht! Wij weten
volstrekt niet wie die erfgenamen van Ross zijn. Misschien arme
drommels en onze jeugdige vriend heeft in ieder geval het geld geleend
om er pleizier van te maken, het is dus niet meer dan billijk dat hij
het terugbetaalt.
En als hij hard werkt zal hem dat ook wel gelukken. Hij zelf zou
trouwens de laatste zijn, om dat geld voor zichzelf te willen houden,
als ik hem ten minste goed ken! Maar ik zal niet toelaten dat de
erfgenamen profiteeren van de schanddaden van den man die hen de
schuldbewijzen naliet.
—Daarvoor zullen wij ze toch eerst in handen moeten hebben.
—Dat spreekt van zelf! Maar wij hebben veel voor op de politie—wij
weten meer dan zij—we kennen de geheime plek van bijeenkomst der leden
van de bende der Raven, nog vannacht gaan wij er op af, Charly!
—Alleen?
—Neen, met Henderson, want zijn hulp zullen wij niet kunnen ontberen!
—Het zal een gevaarlijk karwei worden!
—Ja, het zal geen wandeling zijn voor ons vermaak! Wij hebben echter
het voordeel van de verrassing!
Dienzelfden avond maakten de beide vrienden hunne toebereidselen, en om
twaalf uur in den nacht verlieten zij, vergezeld door Henderson,
tersluiks het heerenhuis, riepen in de Regent Street een huurauto aan,
en lieten zich brengen tot aan het begin van de Vine Street, een slecht
befaamde straat in het East-End van Londen, waar zich een groot aantal
drankhuizen bevinden.
Zij stapten hier uit, betaalden den chauffeur, en slenterden de straat
in.
Zij waren vermomd als arbeiders, en hun verschijning behoefde dus
volstrekt geen opzien te baren in deze volksbuurt.
De drie mannen stonden ten slotte stil voor een wijnhuis, spieden even
om zich heen, en traden toen snel binnen.
In de gelagkamer bevonden zich slechts weinig gasten, voor het
meerendeel kerels met een allesbehalve gunstig uiterlijk.
Achter de toonbank stond een man met een boeventronie en gluiperige
oogen, die de drie binnentredenden argwanend aankeek.
—Wat is er van je dienst, mannen? vroeg hij.
—Dat zul je spoedig merken! antwoordde Raffles.
Het volgende geschiedde in minder tijd dan er voor noodig is om het te
beschrijven.
Raffles en Charly grepen bliksemsnel naar hunne revolvers, en hielden
daarmede de vijf kerels in bedwang, die in de halfdonkere gelagkamer
aan het drinken waren.
Henderson sprong op den kroegbaas toe, en trok hem over zijn toonbank
heen met niet veel moeite dan hij het een zuigeling zou hebben gedaan.
De kerel trachtte te schreeuwen, maar Henderson liet even zijn hoofd
met den rand van de zinken toonbank in aanraking komen, en de man was
stil......
Hij werd in een oogwenk gekneveld en gebonden.
En daarop spuwde Henderson even in de handen, en hield zich onledig met
de vijf boeven—dat wil zeggen, hij greep hen een voor een aan, legde
den eerste ruggelings op tafel, stapelde de anderen er bovenop alsof
het leege lucifersdoosjes waren en bond het nobele vijftal op de tafel
vast met een dik touw, zoodat zij juist genoeg lucht hadden om niet te
stikken.
Daarop wierp hij de tafel om, en duwde het gansche vrachtje in een
hoek.
Hij boog zich over de vijf kerels heen, en zeide:
—Die een kik geeft, krijgt mijn vuist op den mond—en kijk eens wat dat
beteekent.
En Henderson hief zijn ijzerharde, reusachtige knuisten op, en zwaaide
ze even voor de oogen der verschrikte boeven heen en weer.
Charly had intusschen snel de voordeur van het wijnhuis op slot
gedraaid, zoodat zij niet zouden kunnen worden overvallen.
Dit alles had nauwelijks het kwart gedeelte van een minuut geduurd.
Raffles, die hier van vroegere gelegenheden zeer goed den weg kende,
was reeds achter de toonbank getreden, en had den kleinen hefboom
overgehaald, waardoor een lage deur in den wand om haar hengsels
draaide.
De drie mannen gingen er binnen, en snelden een nauwe gang ten einde,
aan het einde afgesloten door een met ijzer beslagen deur.
Daar achter klonken voetstappen, en een fluisterende stem sprak:
—Wie daar? geef het wachtwoord!
Raffles stak de hand in den zak, ging met zijn metgezellen eenige
meters achteruit, en riep:
—Het wachtwoord? hier hebt gij het!
Er vloog iets door de lucht...... een scherpe losbarsting volgde......
de houten deur vloog aan splinters en daarachter liet zich een luide
kreet van woede en pijn hooren.
Een enkele trap van Henderson’s laars was voldoende, om het overschot
van de vernielde deur te doen bezwijken, en de drie mannen stormden een
vertrek binnen waar een viertal leden van de bende aan een groote tafel
gezeten waren.
Een hunner was „Black Jim.”
De schurk was bij de losbarsting opgevlogen, en had zijn revolver
gegrepen.
Hij vuurde—de kogel floot een paar millimeter voorbij het hoofd van
Raffles.
Tot een tweede schot had de bandiet geen gelegenheid—een kogel uit
Charly’s revolver velde hem ter neer.
Met de drie andere, doodelijk verschrikte bandieten hadden Raffles en
zijn metgezellen al zeer weinig moeite, en zij werden binnen enkele
seconden overmeesterd en stevig gebonden.
Op de tafel lag een pakje papieren.
Raffles trad er op toe.
Het waren de wissels, die uit de brandkast van Stephen Ross gestolen
waren.
Raffles stak ze snel bij zich, wierp nog een blik op de gebonden
bandieten, die hem met een blik van machteloozen haat aanschouwden, en
verliet met Henderson en Charly het dievenhol.
In de gelagkamer bevond zich naast de toonbank een telefoon.
Raffles nam het toestel van den haak en waarschuwde het naastbijzijnde
politieposthuis.
Hij begreep wel, dat er zich in het hol genoeg aanwijzingen zouden
bevinden met betrekking tot de misdaad in de Bishop Street, om de
bandieten voor den rechter te brengen.
Nadat de politie van het gebeurde in kennis was gebracht, haastten de
drie mannen zich het wijnhuis te verlaten, want het zou voor hen niet
goed zijn, dat de politie hen hier aantrof.
Op de Theemskade vonden zij vrij spoedig een huurauto, en Raffles gaf
den chauffeur bevel, hen naar de straat te rijden, waar zich de woning
van Robert Spencer bevond.
Het was bijna drie uur in den nacht toen zij daar aankwamen.
Raffles betaalde den chauffeur en zond hem weg.
De straat was geheel verlaten op dit late uur.
Het regende en het was zeer duister.
In de verte weerklonken de voetstappen van een eenzamen agent.
—Blijf hier wachten dan zal ik de zaak even in orde maken, zeide
Raffles fluisterend.
—Heb je den sleutel? vroeg Charly.
—Ja, hier in mijn zak! Je ziet nu dat ik er goed aan gedaan heb, snel
een wasafdruk van het slot te maken! Ik wist wel, dat mij dat nog wel
eens te pas kon komen. Zorg over een half uur omstreeks voor een auto!
Hij knikte Charly en Henderson toe en was het volgende oogenblik in de
duisternis verdwenen.
Behoedzaam langs de huizen sluipend, bereikte hij de deur van het huis
van Robert Spencer.
Hij keek even om zich heen, teneinde zich te vergewissen, dat hij niet
bespied werd, en stak toen den sleutel, dien hij dienzelfden avond had
vervaardigd, in het slot van de huisdeur.
Gelukkig bleek deze niet met den ketting gesloten te zijn, en het viel
hem gemakkelijk haar te openen.
In de kleine vestibule brandde geen licht.
Toch was zij schemerachtig verlicht door het schijnsel van de
straatlantaarn, die niet ver van het huis stond.
Geruischloos als een kat besteeg Raffles de trap, na zich zijn masker
voor het gelaat te hebben gebonden.
Zoo bereikte hij de eerste verdieping, waar zich de kamer van Robert
Spencer bevond.
Daar bleef hij een oogenblik in gebukte houding staan.
Hij wist, dat de jonge man zich in deze kamer moest bevinden, daar hij
zijn bed aan Martin Clyde had afgestaan.
Een blik door het sleutelgat overtuigde hem, dat alles daar binnen
duister was.
Blijkbaar sliep Robert gerust.
Hij draaide voorzichtig aan den knop van de deur.
Zij bleek gesloten te zijn.
Raffles moest dus zijn loopers te hulp roepen.
Hij zette zijn lantaarn neder en begon het slot voorzichtig te
bewerken.
Na een paar minuten sprong het met een droog geluid open.
Dadelijk opende Raffles de deur en trad binnen.
Hij bracht zijn hand naar den schakelaar van het electrische licht en
het volgend oogenblik was het vertrek helder verlicht.
Robert, wakker geworden door het openspringen van het slot, had zich
van de sofa opgericht en de dekens van zich geworpen.
Hij knipte tegen het schelle licht en wist blijkbaar niet aanstonds wat
er geschied was.
Toen zag hij den man met het masker voor het gelaat, als arbeider
gekleed, in het midden van het vertrek staan, bij de tafel.
Hij stond daar rustig en heel op zijn gemak, alsof hij een gewoon
beleefdheidsbezoek kwam brengen.
Zwijgend en verbaasd staarde de jonge man hem aan.
Toen klonk een zachte stem:
—Gij hebt van mij niets te vreezen, mijnheer Spencer, ten minste
wanneer gij u naar mijn aanwijzingen voegt! Ik ben John Raffles!
Op het hooren van dien naam wilde Robert opspringen, maar een kalm
gebaar dwong hem, op zijn plaats te blijven.
—Ik weet bijna alles van de zaak in de Bishop Street, mijnheer Spencer,
vervolgde de stem. Ik heb de schuldigen ontdekt, die zich reeds in
handen der politie bevinden en de wissels, door u onderteekend,
bevinden zich in mijn zak!
Robert wilde iets zeggen, maar de verbazing sloot hem den mond.
Zonderling genoeg gevoelde hij niet de minste vrees.
Het kwam hem zeer gewoon voor, dat hij zich daar zoo eensklaps van
aangezicht tot aangezicht met den gevreesden Gentleman-Inbreker bevond.
Op zachten toon vroeg hij:
—Wat beteekent dit? Wat wilt gij van mij?
—Dat zult gij dadelijk vernemen. Ik heb vernomen, dat gij een eerlijk
man zijt. Gij zult zeker voornemens zijn, uw schuld aan Ross, aan zijn
erfgenamen over te dragen?
—Ik weet eigenlijk niet, wat u het recht geeft, mij dit te vragen, John
Raffles, antwoordde Robert Spencer. Maar ik kan met een gerust geweten
verklaren, dat ik dag en nacht zal werken, om mijn schuld te
vereffenen—al is die Ross een schurk geweest!
—Dat eert u, mijnheer Spencer! Maar aan den anderen kant is het m.i.
strijdig met ieder begrip van recht en billijkheid, dat gij een bedrag
betaalt, driemaal hooger dan gij hebt ontvangen... en daarom zal ik
deze wissels vernietigen!
—Wat zegt gij daar, fluisterde Robert verschrikt.
—Ik zal ze vernietigen, maar gij zult hier aanstonds een
schuldbekentenis schrijven voor hetzelfde bedrag, dat Ross u inderdaad
ter hand heeft gesteld, op naam van de erfgenamen van den vermoorden
man!
—Maar dat is misbruik van macht! zeide Robert verontwaardigd.
—Natuurlijk! Anders zoudt gij het zeker niet doen! antwoordde Raffles
kalm. Ik zal aan die erfgenamen, zoowel als aan de politie mededeelen,
dat ik u gedwongen heb om die schuldbekentenis te schrijven en
evenzeer, dat ik de wissels heb vernietigd—waarbij ik de verpleegster,
die zich hiernaast bevindt, tot getuige zal roepen!
—Maar weet gij dan alles? riep de jonge man uit.
—Ik weet veel meer mijnheer Spencer! antwoordde Raffles. Daar is papier
en inkt. Schrijf nu en tracht niet geweld met geweld te keeren, want ik
ben op dit oogenblik de sterkste!
Hij was snel op de schrijftafel toegetreden, trok een lade open en nam
er de revolver uit, welke daar lag.
—Schrijf nu! beval hij kortaf.
Robert zette zich zijns ondanks voor zijn schrijfbureau en zijn pen
kraste over het papier.
Raffles bleef rustig toezien.
Robert plaatste zijn handteekening onder het papier en liet het Raffles
zien.
Deze las het vlug over en vouwde het op, waarna hij het in zijn zak
liet glijden.
—Dit stuk is morgen in handen van de wettige erfgenamen van Ross, zeide
hij. En nu de rest!
Hij trad vlug op de tusschendeur toe en opende haar.
Voor het bed zat de verpleegster en sluimerde, met de armen over
elkander gekruist.
Het gerucht van de opengaande deur deed haar echter wakker schrikken en
zij keek met ontzetting naar den gemaskerden man, die daar op den
drempel stond.
—Wees zoo goed, even hier te komen, zuster! zeide Raffles op zachten
toon.
De stem klonk zóó kalm, dat de verpleegster opstond en langzaam nader
kwam.
Raffles zette haar in eenige korte zinnen den toestand uiteen en
besloot: Ik neem u tot getuige, dat ik de wissels, welke gij hier in
mijn hand ziet vernietig!
—Maar dat moogt gij niet! riep de verpleegster verschrikt uit!
—Misschien is het strijdig met de wet, maar daaraan zal ik mij maar
niet storen! zeide Raffles glimlachend. Gij herkent dit als de door u
geteekende wissels, mijnheer Spencer?
—Ja, zij zijn het! antwoordde Spencer kortaf, na een blik op de
papieren te hebben geworpen, welke Raffles hem op veiligen afstand
voorhield.
Met een paar stappen was Raffles in de slaapkamer, en wierp de wissels
in het haardvuur dat daar brandde.
Hij wreef zich even de handpalmen, als iemand die iets onsmakelijks
heeft aangeraakt, en zeide toen, terwijl hij zich tot Spencer wendde:
—Gij zult thans hard moeten werken, mijnheer Spencer, om de schuld af
te doen, welke gij aanvaard hebt—maar het is uw eigen verkiezing
geweest!—en het is billijk dat gij voor uwe lichtzinnigheid boet! Wees
er zeker van, dat alles gedaan zal worden om u de betaling gemakkelijk
te maken—gij zult later wel merken, dat John Raffles niet de schavuit
is voor wien men hem zoo vaak aanziet.